Koop dit boek op Bol.com

King Lear
1 stemmen
Niveau:
GENRE: drama - tragedy THEMA: politics
Tagged on:                     



Boekbeschrijving

King Lear

Het begin

Kent:
I thought the king had more affected the Duke of Albany than Cornwall.
Gloucester:
It did always seem so to us: but now, in the division of the kingdom, it appears not which of the dukes he values most; for equalities are so weighed, that curiosity in neither can make choice of either's moiety.
Kent:
Is not this your son, my lord?
Gloucester:
His breeding, sir, hath been at my charge: I have so often blushed to acknowledge him, that now I am brazed to it.
Kent:
I cannot conceive you.
Gloucester:
Sir, this young fellow's mother could: whereupon she grew round-wombed, and had, indeed, sir, a son for her cradle ere she had a husband for her bed. Do you smell a fault?
Kent:
I cannot wish the fault undone, the issue of it being so proper.
Gloucester:
But I have, sir, a son by order of law, some year elder than this, who yet is no dearer in my account: though this knave came something saucily into the world before he was sent for, yet was his mother fair; there was good sport at his making, and the whoreson must be acknowledged. Do you know this noble gentleman, Edmund?
Edmund:
No, my lord.
Gloucester:
My lord of Kent: remember him hereafter as my honourable friend.
Edmund:
My services to your lordship.
Kent:
I must love you, and sue to know you better.
Edmund:
Sir, I shall study deserving.
Gloucester:
He hath been out nine years, and away he shall again. The king is coming.
King Lear:
Attend the lords of France and Burgundy, Gloucester.
Gloucester:
I shall, my liege.
King Lear:
Meantime we shall express our darker purpose.
Give me the map there. Know that we have divided
In three our kingdom: and 'tis our fast intent
To shake all cares and business from our age;
Conferring them on younger strengths, while we
Unburthen'd crawl toward death. Our son of Cornwall,
And you, our no less loving son of Albany,
We have this hour a constant will to publish
Our daughters' several dowers, that future strife
May be prevented now. The princes, France and Burgundy,
Great rivals in our youngest daughter's love,
Long in our court have made their amorous sojourn,
And here are to be answer'd. Tell me, my daughters, -
Since now we will divest us both of rule,
Interest of territory, cares of state, -
Which of you shall we say doth love us most?
That we our largest bounty may extend
Where nature doth with merit challenge. Goneril,
Our eldest-born, speak first.

^ Terug naar boven



Algemeen

King Lear is een oude koning van de Britten. Zijn ene dochter is getrouwd met de hertog van Cornwall, de andere met de hertog van Albany, de derde tenslotte zal gaan trouwen met de koning van Frankrijk. King Lear wil nu – op zijn oude dag – zijn rijk in drieën verdelen tussen de dochters. Maar dan moeten ze wel aan hun vader zeggen waarom ze zo veel van hem houden. De oudste twee dochters doen dat, maar de jongste heeft geen zin om haar vader te vleien; ze houdt gewoon van hem, zonder al dat geslijm – en ze houdt zich stil.
Maar King Lear ontsteekt in blinde woede en hij onterft zijn dochter, die naar haar verloofde in Frankrijk gaat. Het rijk van de Britten zal nu tussen de twee dochters (en hun echtgenoten) worden verdeeld.
Ondertussen merken we dat sommige andere ouders en hun kinderen ook een moeilijke band hebben. Zo heeft de Earl of Gloucester twee zoons: een zoon bij zijn vrouw en één bij zijn maîtresse. Die ‘bastaard’-zoon is heel jaloers op zijn halfbroer en hij probeert zijn vader en zijn halfbroer uit elkaar te drijven.
En wanneer de twee oudste zussen plannen beramen om het rijk van hun vader alvast over te nemen, voelt King Lear zijn macht afnemen. Hij begrijpt dat hij misschien wel veel te snel zijn jongste dochter heeft weggestuurd.

^ Terug naar boven

Boekinformatie

ERK Niveau:
C2

Schrijver:
William Shakespeare

Jaar van uitgave:
1606

Aantal pagina's:
205

Tijd waarin het verhaal zich afspeelt:
Middle Ages

Plaats van handeling:
UK, meerdere plaatsen

Bijzonderheden:
Een toneelstuk in 5 bedrijven en in meerdere scenes

^ Terug naar boven


Het boek - onderwerp

IS HET BOEK VOOR JOU INTERESSANT?

De tragedie ‘King Lear’ gaat over het koningschap en over de troonsopvolging. Het is een verhaal over macht en machtsmisbruik, over eerlijkheid en bedrog.
Maar het is ook een lastig verhaal om te lezen (naar het toneelstuk kijken is vaak veel handiger): veel wordt gesuggereerd en weinig wordt expliciet verteld. Dat maakt het toneelstuk complex en soms diffuus. De beeldspraak inde taal maakt het begrip er ook niet makkelijker op.

King Lear:
I will forget my nature. So kind a father! Be my horses ready?
Fool:
Thy asses are gone about ‘em. The reason why the seven stars are no more than seven is a pretty reason.
King Lear:
Because they are not eight?
Fool:
Yes, indeed: thou wouldst make a good fool.
King Lear:
To take ’t again perforce! Monster ingratitude!
Fool:
If thou wert my fool, nuncle, I’ld have thee beaten for being old before thy time.
King Lear:
How’s that?
Fool:
Thou shouldst not have been old till thou hadst been wise.
King Lear:
O, let me not be mad, not mad, sweet heaven;
Keep me in temper: I would not be mad!
(Act I, Scene V, lines 31-43)

WAT MOET JE WETEN?

Het toneelstuk ‘King Lear’ is één van de beroemdste tragedies van Shakespeare. De tragedies van William Shakespeare zijn:
• ‘Titus Andronicus’ (1593)
• The Tragedy of Romeo and Juliet (1597)
• Julius Caesar (1599)
• Hamlet (1600)
• ‘Troilus and Cressida’ (1602)
• ‘King Lear’ (1606)
• Macbeth (1607)
• ‘Othello’ (1604)
• ‘Anthony and Cleopatra’ (1607)
• ‘Timon of Athens’ (1607)
• ‘Coriolanus’ (1608)

Cornwall:
See’t shalt thou never. Fellows, hold the chair.
Upon these eyes of thine I’ll set my foot.
Gloucester:
He that will think to live till he be old,
Give me some help! O cruel! O you gods!
Regan:
One side will mock another; the other too.
Cornwall:
If you see vengeance,–
First Servant:
Hold your hand, my lord:
I have served you ever since I was a child;
But better service have I never done you
Than now to bid you hold.
Regan:
How now, you dog!
First Servant:
If you did wear a beard upon your chin,
I’d shake it on this quarrel. What do you mean?
Cornwall:
My villain!
They draw and fight
First Servant:
Nay, then, come on, and take the chance of anger.
Regan:
Give me thy sword. A peasant stand up thus!
Takes a sword, and runs at him behind
First Servant:
O, I am slain! My lord, you have one eye left
To see some mischief on him. O!
Dies
Cornwall:
Lest it see more, prevent it. Out, vile jelly!
Where is thy lustre now?
(Act III, Scene VII, lines 65-82)


Het boek - Moeilijkheid

DE TAAL

De woorden en de zinnen in ‘King Lear’ zijn zonder meer lastig te noemen. De taal is ‘modern’ Engels, maar dan wel het moderne Engels uit het eind van de 16e en het begin van de 17e eeuw. Shakespeare gebruikte heel veel woorden die niet langer bestaan in het Engels of die een andere betekenis hebben.
Er zijn nauwelijks regieaanwijzingen, op een paar zinnen na (‘The British Camp near Dover.’ Of iets dergelijks). Soms rijmen zinnen, maar vaker niet; die zinnen zijn geschreven in blank verse: het rijmt niet maar de zin heeft wel een bepaald ritme, een bepaalde cadans.

King Lear:
It may be so, my lord.
Hear, nature, hear; dear goddess, hear!
Suspend thy purpose, if thou didst intend
To make this creature fruitful!
Into her womb convey sterility!
Dry up in her the organs of increase;
And from her derogate body never spring
A babe to honour her! If she must teem,
Create her child of spleen; that it may live,
And be a thwart disnatured torment to her!
Let it stamp wrinkles in her brow of youth;
With cadent tears fret channels in her cheeks;
Turn all her mother’s pains and benefits
To laughter and contempt; that she may feel
How sharper than a serpent’s tooth it is
To have a thankless child! Away, away!
(Act I, Scene IV, lines 173-287)

DE TAAL EN HET VERHAAL

De taal van ‘King Lear’ is zonder meer moeilijk, een gevolg van het feit dat het toneelstuk al honderden jaren oud is. Niet alleen zijn de woorden vaak moeilijk en de zinnen iets afwijkend van het hedendaags Engels, maar ook suggereerde Shakespeare met zijn taal meer dan hij letterlijk zei. Er zijn verwijzingen naar de seksen, naar klassenongelijkheid, naar politieke en maatschappelijke situaties: vaak heeft een tekst een grote ambiguity.
Het verhaal is bij Shakespeare vaak minder belangrijk dan de boodschap die hij wil overbrengen in zijn stukken. Zo’n boodschap zit (uiteraard) duidelijker in de ernstige stukken – zoals de tragedies en de historische stukken – dan in de komedies, maar in alle stukken zit wel een zekere boodschap.
Op basis van deze eigenschappen is ‘King Lear’ een boek met een literair niveau C 6a en een taal-(ERK-)niveau C2.

Cordelia:
[Aside] Then poor Cordelia!
And yet not so; since, I am sure, my love’s
More richer than my tongue.
King Lear:
To thee and thine hereditary ever
Remain this ample third of our fair kingdom;
No less in space, validity, and pleasure,
Than that conferr’d on Goneril. Now, our joy,
Although the last, not least; to whose young love
The vines of France and milk of Burgundy
Strive to be interess’d; what can you say to draw
A third more opulent than your sisters? Speak.
Cordelia:
Nothing, my lord.
King Lear:
Nothing!
Cordelia:
Nothing.
King Lear:
Nothing will come of nothing: speak again.
(Act I, Scene I, lines 75-89)


Schrijfstijl:

De tragedie ‘King Lear’ is moeilijk wat de taal betreft. Maar het is ook zeer rijk qua taal: als je je verdiept in de rijke woordenschat en de gevarieerde beeldspraak van Shakespeare geniet je des te meer. Omdat het lastig was voor Shakespeare om veel letterlijk uit te beelden, moest hij veel suggereren: veldslagen, moordaanslagen, complotten en (inter)nationale onderonsjes. De toneelschrijver had maar één toneel: een beperkte ruimte zonder belichting, zonder decor, zonder gordijnen, en zonder … vrouwen.

Kent:
Fellow, I know thee.
Oswald:
What dost thou know me for?
Kent:
A knave; a rascal; an eater of broken meats; a base, proud, shallow, beggarly, three-suited, hundred-pound, filthy, worsted-stocking knave; a lily-livered, action-taking knave, a whoreson, glass-gazing, super-serviceable finical rogue; one-trunk-inheriting slave; one that wouldst be a bawd, in way of good service, and art nothing but the composition of a knave, beggar, coward, pandar, and the son and heir of a mongrel bitch: one whom I will beat into clamorous whining, if thou deniest the least syllable of thy addition.
(Act II, Scene II, lines 11-23)


Het boek - het verhaal

Actie:

De tragedie ‘King Lear’ is een verhaal met vrij veel actie. Die actie vindt voor een deel off-stage plaats: het was vooral lastig – zo niet onmogelijk – om veel doden kwijt te raken (op een open toneel in daglicht).

King Lear:
And the creature run from the cur? There thou mightst behold the great image of authority: a dog’s obeyed in office.
Thou rascal beadle, hold thy bloody hand!
Why dost thou lash that whore? Strip thine own back;
Thou hotly lust’st to use her in that kind
For which thou whipp’st her. The usurer hangs the cozener.
Through tatter’d clothes small vices do appear;
Robes and furr’d gowns hide all. Plate sin with gold,
And the strong lance of justice hurtless breaks:
Arm it in rags, a pigmy’s straw does pierce it.
None does offend, none, I say, none; I’ll able ‘em:
Take that of me, my friend, who have the power
To seal the accuser’s lips. Get thee glass eyes;
And like a scurvy politician, seem
To see the things thou dost not. Now, now, now, now:
Pull off my boots: harder, harder: so.
Edgar:
O, matter and impertinency mix’d! Reason in madness!
(Act IV, Scene VI, lines 154-173)

Tijd:

‘King Lear’ speelt zich af ergens in een vaag soort Middeleeuwen. Het verhaal is gebaseerd op een mythisch verhaal over een koning die zijn rijk onder zijn kinderen wil verdelen, maar die daarbij fouten maakt. Shakespeare paste dit verhaal aan zodat het een boeiend koningsdrama werd dat ook zestiende-eeuwse Britten zou aanspreken: een Britse koning met dochters die de rijken van de Fransen, de Bourgondiërs, de Cornish en andere Britse graafschappen of stadsstaatjes (Albany, Gloucester) met elkaar zou kunnen verbinden. Het verhaal duurt een paar dagen – Shakespeare houdt zich niet aan de eenheid van tijd.

Fool:
This is a brave night to cool a courtezan.
I’ll speak a prophecy ere I go:
When priests are more in word than matter;
When brewers mar their malt with water;
When nobles are their tailors’ tutors;
No heretics burn’d, but wenches’ suitors;
When every case in law is right;
No squire in debt, nor no poor knight;
When slanders do not live in tongues;
Nor cutpurses come not to throngs;
When usurers tell their gold i’ the field;
And bawds and whores do churches build;
Then shall the realm of Albion
Come to great confusion:
Then comes the time, who lives to see’t,
That going shall be used with feet.
This prophecy Merlin shall make; for I live before his time.
(Act III, Scene II, lines 79-95)

Plaats:

De setting van ‘King Lear’ bestaat uit meerdere plekken in Groot-Brittannië. Er zijn scene aanwijzingen die aangeven dat er gespeeld wordt bij of in een kasteel (van King Lear en van Gloucester), op de heide, in een woud, op een vlakte bij de stad Dover (waar de Fransen landden).

Gloucester:
Know’st thou the way to Dover?
Edgar:
Both stile and gate, horse-way and foot-path. Poor Tom hath been scared out of his good wits: bless thee, good man’s son, from the foul fiend! Five fiends have been in poor Tom at once; of lust, as Obidicut; Hobbididence, prince of dumbness; Mahu, of stealing; Modo, of murder; Flibbertigibbet, of mopping and mowing, who since possesses chambermaids and waiting-women. So, bless thee, master!
Gloucester:
Here, take this purse, thou whom the heavens’ plagues
Have humbled to all strokes: that I am wretched
Makes thee the happier: heavens, deal so still!
Let the superfluous and lust-dieted man,
That slaves your ordinance, that will not see
Because he doth not feel, feel your power quickly;
So distribution should undo excess,
And each man have enough. Dost thou know Dover?
Edgar:
Ay, master.
Gloucester:
There is a cliff, whose high and bending head
Looks fearfully in the confined deep:
Bring me but to the very brim of it,
And I’ll repair the misery thou dost bear
With something rich about me: from that place
I shall no leading need.
Edgar:
Give me thy arm:
Poor Tom shall lead thee.
(Act IV, Scene I, lines 54-79)

Verhaallijn:

Er is één belangrijke verhaallijn in ‘King Lear’: zal Groot-Brittannië als rijk blijven bestaan (al of niet met delen van Frankrijk) of wordt het opgedeeld vanwege de machtswellust van een aantal personen?

King Lear:
I prithee, daughter, do not make me mad:
I will not trouble thee, my child; farewell:
We’ll no more meet, no more see one another:
But yet thou art my flesh, my blood, my daughter;
Or rather a disease that’s in my flesh,
Which I must needs call mine: thou art a boil,
A plague-sore, an embossed carbuncle,
In my corrupted blood. But I’ll not chide thee;
Let shame come when it will, I do not call it:
I do not bid the thunder-bearer shoot,
Nor tell tales of thee to high-judging Jove:
Mend when thou canst; be better at thy leisure:
I can be patient; I can stay with Regan,
I and my hundred knights.
(Act II, Scene IV, lines 216-228)

Verteller:

De roman ‘King Lear’ heeft geen verteller. Er is nooit een stem van buiten of van boven die commentaar geeft op de gebeurtenissen. Wat niet wegneemt dat er wel eens commentaar is op een handeling; maar dat gebeurt dan door een karakter uit het toneelstuk zelf.
In ‘King Lear’ is er zo nu en dan commentaar van de ‘Fool’: deze kan, als metgezel en niet-adellijke persoon, zeggen wat hij wil, zowel over de koning en over de andere edelen, als over de situaties waarin iedereen zich bevindt.

Fool:
Sirrah, I’ll teach thee a speech.
King Lear:
Do.
Fool:
Mark it, nuncle:
Have more than thou showest,
Speak less than thou knowest,
Lend less than thou owest,
Ride more than thou goest,
Learn more than thou trowest,
Set less than thou throwest;
Leave thy drink and thy whore,
And keep in-a-door,
And thou shalt have more
Than two tens to a score.
Kent:
This is nothing, fool.
Fool:
Then ‘tis like the breath of an unfee’d lawyer; you gave me nothing for’t. Can you make no use of nothing, nuncle?
King Lear:
Why, no, boy; nothing can be made out of nothing.
Fool:
[To Kent] Prithee, tell him, so much the rent of his land comes to: he will not believe a fool.
(Act I, Scene IV, lines 113-132)


Het boek - de karakters

Hoofdkarakters:

De hoofdkarakters in ‘King Lear’ zijn:
• King Lear: de koning van de Britten. Hij heeft drie dochters; twee ervan zijn getrouwd. Hij gaat ervan uit dat zijn dochters (en schoonzoons, edelen en bedienden) alles doen en zeggen wat hij van hen verlangt;
• Goneril: de oudste dochter van King Lear. Zij is gehuwd met de Duke of Albany;
• Regan: de tweede dochter van King Lear. Zij is gehuwd met de Duke of Cornwall;
• Cordelia: de jongste dochter van King Lear. Zij is verloofd met de Koning van Frankrijk;
• Earl of Kent: de graaf van Kent. Een steun en toeverlaat van King Lear;
• Earl of Gloucester: de graaf van Gloucester. Een steun en toeverlaat van King Lear;
• Fool: de ‘jester’, de paljas van de koning. Hij mag zeggen wat hij wil over iedereen (ook over de koning), zonder dat hij daarvoor gestraft wordt (en dat doet hij dan ook).

King Lear:
Thou think’st ‘tis much that this contentious storm
Invades us to the skin: so ‘tis to thee;
But where the greater malady is fix’d,
The lesser is scarce felt. Thou’ldst shun a bear;
But if thy flight lay toward the raging sea,
Thou’ldst meet the bear i’ the mouth. When the mind’s free,
The body’s delicate: the tempest in my mind
Doth from my senses take all feeling else
Save what beats there. Filial ingratitude!
Is it not as this mouth should tear this hand
For lifting food to’t? But I will punish home:
No, I will weep no more. In such a night
To shut me out! Pour on; I will endure.
In such a night as this! O Regan, Goneril!
Your old kind father, whose frank heart gave all,–
O, that way madness lies; let me shun that;
No more of that.
(Act III, Scene IV, lines 6-22)

Bijfiguren:

De belangrijkste bijfiguren in ‘King Lear’ zijn:
• Duke of Albany: de hertog van Albany, echtgenoot van Goneril;
• Duke of Cornwall: de hertog van Cornwall, echtgenoot van Regan;
• Edgar: de zoon van Gloucester. Een trouwe zoon voor zijn vader;
• Edmund, de ‘bastaard’zoon van Gloucester. Hij is uit op zijn vaders titel;
• King of France. (Delen van) Frankrijk en Engeland zijn vaak in oorlog met elkaar en verschillende landsdelen van Frankrijk zijn langere tijd Engels bezit. King Lear laat zijn jongste dochter Cordelia trouwen met de Franse koning;
• Duke of Burgundy: de hertog van Bourgondië (Frankrijk);
• Curan: een hoveling;
• Oswald, steward: de hofmeester van Goneril;
• Old Man, tenant: de bediende van Gloucester;
• Doctor;
• Officer: een officier in dienst van Edmund;
• Gentleman: een lakei van Cordelia;
• Herald: een boodschapper;
• Servants: bedienden van Cornwall;
• Knights of Lear’s train, Officers, Messengers, Soldiers, and Attendants: ridders, officieren, boodschappers, soldaten en bedienden van King Lear en van de andere edelen.

Albany:
Wisdom and goodness to the vile seem vile:
Filths savour but themselves. What have you done?
Tigers, not daughters, what have you perform’d?
A father, and a gracious aged man,
Whose reverence even the head-lugg’d bear would lick,
Most barbarous, most degenerate! have you madded.
Could my good brother suffer you to do it?
A man, a prince, by him so benefited!
If that the heavens do not their visible spirits
Send quickly down to tame these vile offences,
It will come,
Humanity must perforce prey on itself,
Like monsters of the deep.
(Act IV, Scene II, lines 38-50)


Het boek - verder

Film:

‘King Lear’ is talloze malen verfilmd (voor de eerste keer al in 1905). Behalve getrouwe toneelversies en verfilmingen waren er ook regisseurs die het verhaal van King Lear gebruikten voor een filmscript (‘The Godfather’ van Francis Ford Coppola is daar een voorbeeld van).

Kent:
How chance the king comes with so small a train?
Fool:
And thou hadst been set i’ the stocks for that question, thou hadst well deserved it.
Kent:
Why, fool?
Fool:
We’ll set thee to school to an ant, to teach thee there’s no labouring i’ the winter. All that follow their noses are led by their eyes but blind men; and there’s not a nose among twenty but can smell him that’s stinking. Let go thy hold when a great wheel runs down a hill, lest it break thy neck with following it: but the great one that goes up the hill, let him draw thee after. When a wise man gives thee better counsel, give me mine again: I would have none but knaves follow it, since a fool gives it.
That sir which serves and seeks for gain,
And follows but for form,
Will pack when it begins to rain,
And leave thee in the storm,
But I will tarry; the fool will stay,
And let the wise man fly:
The knave turns fool that runs away;
The fool no knave, perdy.
(Act II, Scene IV, lines 61-82)

Overig:

Behalve veel toneel- en filmversies werden ideeën en citaten uit ‘King Lear’ door veel artiesten en politici gebruikt (in de schilderkunst, in politieke speeches). Zo draagt John Lennon een paar regels voor in de Beatles song ‘I Am the Walrus’: … What, is he dead? Sit you down, father; rest you …’

Edgar:
I know thee well: a serviceable villain;
As duteous to the vices of thy mistress
As badness would desire.
Gloucester:
What, is he dead?
Edgar:
Sit you down, father; rest you
Let’s see these pockets: the letters that he speaks of
May be my friends. He’s dead; I am only sorry
He had no other death’s-man. Let us see:
Leave, gentle wax; and, manners, blame us not:
To know our enemies’ minds, we’ld rip their hearts;
Their papers, is more lawful.
(Act IV, Scene VI, lines 249-258)


^ Terug naar boven


Auteur en Werken

Informatie over William Shakespeare.


^ Terug naar boven

Meer

Leessuggesties:

Als je dit een mooi boek vond, zou je ook kunnen lezen:
• Macbeth van William Shakespeare
• ‘The Godfather’ van Mario Puzo
• A Song of Ice and Fire, Book III: A Storm of Swords van George R.R. Martin


Citaat:
Cordelia:
How does my royal lord? How fares your majesty?
King Lear:
You do me wrong to take me out o' the grave:
Thou art a soul in bliss; but I am bound
Upon a wheel of fire, that mine own tears
Do scald like moulten lead.
(Act II, Scene IV, lines 49-54)

Vragen over het boek:

1. Waarom is de vervreemding tussen King Lear en zijn jongste dochter nogal onlogisch?
2. Wie is het meest trouw aan King Lear: The Earl of Gloucester of The Earl of Kent? Waarom vind je dat?
3. Waarom is Edmund zo belangrijk voor de plot van de tragedie ‘King Lear’?
4. Waarom zou het toneelstuk ‘King Lear’ van belang zijn geweest voor de tijdgenoten van William Shakespeare?



^ Terug naar boven