Hieronder worden alle literaire begrippen toegelicht die je bij de boekbeschrijvingen kunt tegenkomen. Behalve literaire begrippen vind je ook andere woorden verklaard die geen literair begrip zijn, maar die je wel bij de beschrijvingen kunt lezen (Airstrip One, Discworld, bijvoorbeeld).

A

Absurdisme. Een humoristische vorm van literatuur waarin karakters en situaties worden beschreven die niets met de werkelijkheid te maken hebben. Soms ligt er een diepere betekenis achter de tekst, maar meestal is het een hilarische vorm van humor, die uitsluitend bedoeld is om de lezer te vermaken. Voorbeelden van absurdistische literatuur zijn de teksten van schrijvers als Lewis Carroll, Edward Lear en John Lennon (In His Own Write, A Spaniard in the Works).
Acrostic – zie: Acrostichon.
Acrostichon. Een gedicht waarvan de eerste letters van een regel verticaal gelezen een woord vormen. Zie het gedicht An Acrostic van Roger McGough.
Actzie: Bedrijf.
Actie. Datgene wat de karakters in een verhaal doen: hun acties of hun handelingen.
Actionzie: Actie.
Adolescentenliteratuur. In het Engels wordt het ‘young adult literature’ genoemd. Het is de literatuur die bestemd is voor de groep jongeren die vaak wordt aangeduid met de term ‘teenagers’, jongeren in de leeftijd van 13 (thirteen) tot en met 19 (nineteen). Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw worden deze boeken speciaal voor teenagers geschreven. Men zegt dat de eerste young adult novel de roman ‘The Outsiders’ was, geschreven door (de teenager) S.E. Hinton (1967).
Adult literaturezie: Volwassenenliteratuur.
Airstrip One. De benaming die George Orwell in zijn roman ‘1984‘ aan Groot-Brittannië geeft. Airstrip One is in de roman een deel van het wereldrijk Oceania.
Alleenspraak. Een fragment in een toneelstuk dat door één persoon wordt uitgesproken. In zo’n fragment denkt een acteur/actrice luidop na over wat er gebeurd is of wat er gebeuren gaat; hij/zij informeert als het ware het publiek over het toneelstuk. De beroemdste alleenspraak is ongetwijfeld ‘To be or not to be’ uit het drama Hamlet van William Shakespeare.
Allegorie. Karakters in een literair werk (zoals een toneelstuk, een roman of een gedicht) beelden een begrip uit. Zo kan Virtue (de deugd) worden voorgesteld als een persoon, evenals Avarice (gierigheid) of Friendship. Een beroemd allegorisch toneelstuk is het oorspronkelijk Nederlandse middeleeuwse stuk ‘Elkerlyc’ (in het Engels ‘Everyman’ geheten). Een voorbeeld van allegorische karakters in een Engelse roman is ‘The Pilgrim’s Progress’ van John Bunyan.
Allegoryzie: Allegorie.
Alliteratie. Beginrijm: de eerste letters van woorden zijn dezelfde:’Helplessly hoping her harlequin hovers …’
Alliteration – zie: Alliteratie.
Alwetende verteller. De verteller (lees: de auteur) die het verhaal van buiten de karakters beschrijft. Karakters worden aangeduid in de derde persoon (‘he’, ‘she’)of – heel soms – in de tweede persoon (‘you’).
Ambiguïteit. Dubbelzinnigheid. Een woord kan meerdere betekenissen hebben. Zo is er ambiguïteit in de titel van de misdaadroman van Barbara Vine (a.k.a. Ruth Rendell) ‘A Fatal Inversion’.
Ambiguityzie: Ambiguïteit.
Anachronisme. Iets wat niet helemaal in de tijd past. Bijvoorbeeld: een vliegtuig dat bommen werpt tijdens een veldslag in de Middeleeuwen. Sommige schrijvers gebruiken anachronismen om een humoristisch element aan hun verhalen toe te voegen (zoals Terry Pratchett of Lemony Snicket).
Angelen. De grootste groep Germanen die vanaf ongeveer het jaar 400 de Britse eilanden binnenvielen en daar bleven wonen. Zij kwamen van de regio Angeln, een Duits-Deense landstreek, waar nu de steden Flensborg, Schleswig en Kappeln liggen. Hun taal was een (West-)Germaanse taal. Het woord ‘Angelen’ is uiteindelijk ‘Engelsen’ geworden. Een graafschap vernoemd naar de Angelen is East Anglia.
Antagonist. De tegenspeler of tegenstander van de held of hoofdpersoon uit een verhaal. Voldemort is de antagonist van Harry Potter.
Anthologyzie: Anthologie.
Anthologie. Een verzameling van de mooiste en beste werken uit de literatuur (poëzie en proza). De bijvoeglijke naamwoorden ‘mooiste’ en ‘beste’ worden uiteraard bepaald door de samenstellers van zo’n anthologie. Een anthologie wordt ook wel ‘bloemlezing’ genoemd.
Anti-utopian literature. Literatuur over een niet-ideale wereld. ‘Utopia’ (letterlijk: geen plaats, uit het Latijn) was een rijk waar alles perfect was; zie de roman ‘Utopia’ van Sir Thomas More. Literatuur over niet-ideale plekken is in de regel spannender.
Apocalyps. (Uit het Grieks) Letterlijk: openbaring. In het Bijbelboek ‘Openbaringen’ van de apostel Johannes wordt beschreven hoe het leven op aarde zal eindigen: God zal komen om de goede mensen te belonen en de slechte te straffen. Beelden van de Apocalyps gaan in de kunst (literatuur, schilderkunst) vaak gepaard met nachtmerrieachtige beelden van duivels en demonen, van felle branden en van beelden van de hel. Zie bijvoorbeeld sommige schilderijen van Jeroen Bosch of Pieter Breughel. In sciencefiction komen soms apocalyptische verhalen voor (zoals bijvoorbeeld van Arthur C. Clarke of Ray Bradbury).
Apocalyptischzie: Apocalyps.
Archaïsch taalgebruik. Taal die ouderwets klinkt. Soms is het plechtige taal, soms is het heel netjes, soms is het omslachtig. Het is hoe dan ook verouderde taal.
Archetype. Een begrip of een persoon dat staat voor een bepaalde groep. Zo is Beowulf (uit het gelijknamige heldendicht), de piloot Biggles of het meisje Katniss Everdeen een archetype voor ‘de held’.
Arthur-legende. Een verhaal dat gaat over de Britse koning Arthur en/of over de ridders van zijn Ronde Tafel. Arthur is een denkbeeldige koning: een legendarische vorst die met de hulp van de tovenaar Merlijn koning werd en daarna regeerde over het Britse eilandenrijk. Zie bijvoorbeeld de romans ‘Le Morte Darthur‘ en ‘The Once and Future King‘.
Assonancezie: Assonantie.
Assonantie. In poëzie is dit de term voor halfrijm: wanneer bijvoorbeeld de klinkers in een zin dezelfde zijn.: Thou foster child of silence and slow time’ (de i-klank in een gedicht van Keats).
Auctorial narratorzie: Alwetende verteller.
Auctoriale vertellerzie: Alwetende verteller.
Auteur. De schrijver of schrijfster van poëzie, proza of toneel.
Authorzie: Auteur.
Autobiographyzie: Autobiografie.
Autobiografie. Een literair werk geschreven door de auteur zelf. Vaak is dat een werk over (delen uit) het leven van de auteur, maar soms heeft de auteur een werk geschreven alsof het een autobiografie betreft. Serieuze (non-fictie-)autobiografieën werden bijvoorbeeld geschreven door Paul Auster en Robert Graves, geromantiseerde autobiografieën door Frank McCourt en zogenaamde autobiografieën door Dave Eggers.
Avant garde. Vooruitlopend op de groep, dus afwijkend. Meestal is het onzeker of dit soort kunst (zoals avant garde literatuur) zijn waarde zal blijven behouden. maar interessant is de avant garde kunst altijd. Zie literaire voorbeelden van avant garde zoals de romans ‘Life and Opinions of Tristram Shandy’ van Laurence Sterne, ‘Ulysses’ van James Joyce of ‘Generation X‘ van Douglas Coupland.

^ Terug naar boven

B
Balladzie: Ballade.
Ballade. Een vaak lang en altijd verhalend gedicht. Veel balladen hebben een refrein van één of meer regels. Balladen werden vroeger vaak gezongen en ze hadden de functie die romans en films tegenwoordig vaak hebben: een spannend verhaal vertellen.
Bargoens. Ook wel ‘dieventaal’ genoemd. Het is de taal die gebruikt werd door zwervers of marktkooplieden. Tegenwoordig zijn woorden uit het bargoens soms wel ‘cool’ om te gebruiken: ‘penoze’, ‘bajes’, ‘smeris’.
Bedrijf. Een deel van een toneelstuk. Klassieke toneelstukken – zoals de werken van William Shakespeare – bestonden altijd uit 5 bedrijven. Moderne toneelstukken hebben meestal 3 bedrijven.
Beeldspraak. Iets wordt op een bepaalde manier verwoord. Zo kan ‘de zomer’ duiden op geluk, of ‘de maan’ op iets duisters of iets romantisch, ‘een bloem’ betekent weer iets anders, evenals ‘een hond’ of ‘een kraai’. Metaforen worden gebruikt om een beeld te versterken. Zie ook: ‘Metafoor’.
Beginrijm – zie: Alliteratie.
Big Brother. De (denkbeeldige?) leider in de dystopische roman ‘1984‘ van George Orwell; een leider die de bewoners van Oceania vanaf alle muren en wanden aankijkt via een enorme poster met daaronder de tekst: ‘Big Brother Is Watching You’.
Bijfiguur. Een karakter uit een verhaal dat niet zo belangrijk is als een hoofdfiguur uit dat verhaal. Bijfiguren (‘minor characters’) hebben een kleine rol, maar ze zijn wel degelijk belangrijk voor het verhaal; het zijn geen figuranten.
Binnenrijm. Woorden binnen één dichtregel rijmen op elkaar: ‘We drove cars and drank in bars …’
Biografie. Een beschrijving van (een deel van) iemands leven. Zo’n beschrijving is meestal zo waarheidsgetrouw mogelijk, maar wordt minder nauwkeurig naarmate het langer geleden is dat de beschreven persoon leefde. Veel biografieën zijn geschreven over politieke persoonlijkheden (Churchill, Oliver Cromwell), minder over schrijvers (William Faulkner, Iris Murdoch).
Biography – zie: Biografie.
Black humor. Een zwartgallige soort humor: met deze vorm van humor wordt de draak gestoken met op zich ernstige onderwerpen (de dood, ernstige ziekten, psychische afwijkingen) die op een dusdanige manier worden behandeld dat de behandeling van zo’n onderwerp op de lachspieren werkt (niet bij iedere lezer, trouwens). Auteurs die deze morbide soort humor gebruiken zijn William Shakespeare (de doodgravers scène in ‘Hamlet’ bijvoorbeeld), Jonathan Swift, Laurence Sterne, Kingsley Amis, Roald Dahl, Fay Weldon, William Boyd, Lisa Alther, Charles Bukowski, Tom Sharpe, Nick Hornby.
Blank verse – dichtregels die een bepaald vast metrum hebben, maar geen rijm. De meest voorkomende vorm van ‘blank verse’ is de iambic pentameter.
Bloemlezingzie: Anthologie.
Blurb. Een wervende tekst die iets heel kort vertelt over een roman of een verhaal. Dit gebeurt vaak op de voor- of achterkant of op de binnenflap van een boek. De ‘blurb’ is bedoeld om mensen te motiveren om het boek helemaal te gaan lezen.
Briefroman. Een roman geschreven in de vorm van een aantal brieven. Meestal bevat deze roman brieven, maar het kunnen ook dagboekfragmenten, krantenartikelen, blogs of e-mails zijn. In het Engels werd de eerste briefroman (‘epistolary novel’) geschreven door Samuel Richardson: ‘Pamela’ (1740). Moderne briefromans zijn The Secret Diary of Adrian Mole, Aged 13 3/4 van Sue Townsend of Carrie van Stephen King.

^ Terug naar boven

C
Campus novel. Een roman die zich afspeelt op een universiteit, een college of een kostschool.
Canon. De belangrijkste werken uit de literatuur. Veel toneelstukken van William Shakespeare behoren tot de canon van de Engelstalige literatuur. Zo’n canon verandert vaak wel in de loop van de jaren: Tolkien behoorde vroeger niet tot de canon, Iris Murdoch wel. Nu is dat omgekeerd.
Caricaturezie: Karikatuur.
Centaur. Een mythisch wezen uit Griekse verhalen. Het is een wezen met het bovenlijf van een mens en het onderlijf van een paard. In ‘Artemis Fowl’ komt een centaur voor.
Characterzie: Karakter.
Character flawzie: Flaw.
Chicklit. Literatuur die speciaal bedoeld is voor – en vaak ook geschreven is door – jongere vrouwen. ‘Bridget Jones’s Diary’ is een beroemd voorbeeld van chicklit, maar misschien zou je ‘Pride and Prejudice’ ook al een vroege vorm van chicklit kunnen noemen.
Children’s bookzie: Kinderboek.
Children’s literaturezie: Kinderboek.
Choruszie: Refrein (voor poëzie) en Koor (voor toneel).
Chronologie. De volgorde (in de tijd) waarin een verhaal verteld wordt. Heel vaak wordt een verhaal lineair verteld, dus van het begin tot het eind. Maar een belangrijk literair stijlmiddel is de ‘flashback’, waarin wordt teruggeblikt naar een gebeurtenis uit een verleden die belangrijk is voor het heden.
Chronologyzie: Chronologie.
Cliché. Een vorm van beeldspraak die door het vele gebruik niet veel meer betekent. De eerste persoon die een boek ‘awesome’ noemt maakt veel indruk; als je dat woord nu nog gebruikt, loop je een beetje achter de feiten aan. Soms is een cliché wel weer leuk: bijvoorbeeld als Terry Pratchett schrijft over luidruchtige toeristen of over bloeddorstige vampiers.
Cliffhanger. Een spannend moment waarop een deel van een verhaal of een hoofdstuk eindigt. Cliffhangers zijn meestal bedoeld om lezers (en kijkers naar TV-series) te dwingen om verder te lezen of te kijken. Charles Dickens gebruikte veel cliffhangers om zijn lezers te dwingen de volgende episode uit een roman – die meestal in tijdschriften gepubliceerd werd – ook te lezen (en dus te kopen). Moderne auteurs van thrillers en horrorverhalen gebruiken ook vaak cliffhangers.
Comedyzie: Komedie.
Comedy of manners. Oorspronkelijk een toneelstuk over de betere klassen. Later werd de omschrijving ook gebruikt voor romans uit de hogere klassen, zoals de romans van Jane Austen. Met ‘comedy’ heeft het verhaal vaak niet zo veel te maken.
Comic relief. In een ernstig toneelstuk was er vaak ruimte voor een vrolijke passage. Zo maken grafdelvers in de tragedie ‘Hamlet’ van Shakespeare geintjes over schedels en botten, terwijl de held Hamlet treurt over zijn zo juist overleden geliefde.
Coming-of-age. Literatuur die gaat over volwassen worden. ‘Coming-of-age’ is een belangrijk en populair thema binnen de ‘young adult literature’: boeken van Robert Cormier, Sue Welford, Aidan Chambers en John Green zijn perfecte voorbeelden van ‘coming-of-age’ romans.
Conflict. Het probleem tussen de held van een literair werk en diens tegenstander(s). De held van ‘The Lord of the Rings’ is Frodo Baggins. Het conflict in deze roman is het vernietigen van de ring, dat wordt tegengehouden door slechte karakters zoals Gollum, Saruman en Sauron.
Couplet. Versregels in een gedicht of lied. Meestal zijn het regels die hetzelfde metrum hebben (vaak ook met rijm). Een couplet heeft in ieder geval twee regels – maar het kunnen er ook vier, zes, acht of nog meer zijn. In songs zijn de coupletten de vertellende delen van het lied; vaak worden ze gevolgd door een refrein.
Crimezie: Misdaad.
Crime novelzie: Misdaadroman.

^ Terug naar boven

D
Dagboek. Een roman in dagboekvorm. Vaak wordt dit genre gebruikt om het verhaal dichter bij de hoofdpersoon en daarmee ook dichter bij de lezer te brengen. Maar het is ook een manier om spannende gebeurtenissen geleidelijk te vertellen, waarbij de verteller (de dagboekschrijver) zelf niet door heeft wat er gaat gebeuren. Beroemde ernstige dagboekromans werden geschreven door John Marsden en J.M. Coetzee, maar er zijn ook humoristische dagboeken, zoals de romans van Sue Townsend en Jeff Kinney.
Derry. Een denkbeeldige stad in Maine. Stephen King heeft daar een aantal romans gesitueerd, zoals It of een deel van 11/22/63.
Detective. Misdaadliteratuur waarbij een hoofdrol is toebedeeld aan een speurder (‘detective’). Veel detectives zijn bijna beroemder geworden dan hun auteurs: meer mensen zullen de naam Sherlock Holmes kennen dan de naam Arthur Conan Doyle. Beroemde detectives zijn ook Father Brown, Miss Marple, Hercule Poirot, Lord Peter Wimsey, de inspecteurs Alan Grant, Wexford, Banks, Morse, en Amerikaanse speurders zoals Jeffrey Tolliver, Will Trent en Jane Rizzoli.
Dialoguezie: Dialoog.
Dialoog. Een gesprek, oorspronkelijk tussen twee personen. De term werd het eerst gebruikt in het drama wanneer twee acteurs met elkaar spraken, maar tegenwoordig wordt het in de literatuur ook gebruikt wanneer meer dan twee personen met elkaar spreken.
Diaryzie: Dagboek.
Discworld. De fantasiewereld waarin de romans van Terry Pratchett zich afspelen. De Discworld is een platte schijf (‘disc’) gedragen door vier olifanten op de rug van een reusachtige schildpad. Die schildpad beweegt zich langzaam voort door de ruimte. Al het vasteland bevindt zich op de Discworld in het centrum van de schijf, de oceanen stromen naar de randen, tot aan de ‘Rim’ toe. Wie daar terechtkomt, overleeft het meestal niet: als je over de ‘Rim’ valt, verdwijn je in het heelal.
Dramazie: Toneel.
Dramatic monologue. Een gedicht dat als het ware wordt uitgesproken door één persoon. Het lijkt op een alleenspraak uit een toneelstuk. Het mooiste voorbeeld van een ‘dramatic monologue’ is het gedicht ‘My Last Duchesss’ van Robert Browning. Een voorbeeld van een ‘dramatic monologue’ in romanvorm is de roman ‘The Reluctant Fundamentalist‘ van Mohsin Hamid.
Dwarfzie: Dwerg.
Dwerg. Een sprookjesachtig wezen. De dwerg kenmerkt zich door een (lange) baard. Zijn (of haar: volgens de schrijver Terry Pratchett is het vaak onmogelijk om te zien of het een ‘hij’ of een ‘zij’ is) karakter is vaak onplezierig. Hij leeft veelal in het donker (werkt vaak in een mijn en graaft naar belangrijke delfstoffen) waar hij ook woont (meestal in een hol). De dwerg wordt soms ook ‘kobold’ genoemd.
Dystopiazie: Dystopie.
Dystopie. Literatuur over een ‘dystopie’, het tegenovergestelde van een ‘utopie’. Deze literatuur gaat dus over een niet-ideale wereld, vandaar dat het spannender is dan een verhaal over ‘Utopia (waar alles koek en ei is). Dystopieën worden bijvoorbeeld beschreven in de romans van Samuel Butler, H.G. Wells, Aldous Huxley (Brave New World), George Orwell (1984), John Wyndham (The Midwich Cuckoos), Ray Bradbury (Fahrenheit 451) en veel science fiction– en fantasy-auteurs.

^ Terug naar boven

E
Earthsea. Het eilandenrijk waar de romans van ‘The Earthsea Quartet’ van Ursula Le Guin zich afspelen.
Eenheid. In het klassieke toneel zijn er drie eenheden waaraan elk toneelstuk moet voldoen: de eenheid van tijd, plaats en handeling. Dit betekent dat het stuk zich moet afspelen binnen 24 uur, op één plaats en het moet gaan over één plot. De beroemdste Engelstalige toneelschrijver, William Shakespeare, hield zich overigens nooit aan die eenheden …
Eenhoorn. Een fabeldier dat er uitziet als een lelieblank paardachtig wezen met één hoorn midden op zijn kop. De eenhoorn laat zich zelden benaderen; slecht een maagd kan hem van dichtbij aanraken.
Eindrijm. De meest gebruikelijke rijmvorm in traditionele poëzie: de laatste lettergrepen van een dichtregel rijmen op elkaar. Voorbeeld: ‘I don’t mind eels / Except as meals / And the way they feels.’ (Ogden Nash)
Elegie. Een klaagzang. Vaak is het een gedicht dat geschreven is voor en voorgedragen wordt wanneer iemand overleden is.
Elegyzie: Elegie.
Elf. Een sprookjeswezen met vleugeltjes dat veel in sprookjes voorkomt en vaak in bossen woont. Ook in moderne sprookjes, zoals die van Tolkien en Eoin Colfer.
Enjambement. Een zin in een regel van een gedicht die doorloopt in een volgende regel. Vaak wordt dit gedaan om een bepaald effect te bereiken: bijvoorbeeld om de lezer te laten speculeren over het vervolg van de zin. Bijvoorbeeld: ‘And if I ever have a son, I think I’m gonna name him / Bill, or George, or anything but Sue!’ (Shel Silverstein)
Enjambmentzie: Enjambement.
Ent. Een boom die zowel lopen als spreken kan. De ent is bedacht door de schrijver Tolkien (zie bijvoorbeeld deel II van ‘The Lord of the Rings’, ‘The Two Towers‘).
Enumerationzie: Opsomming.
Epiek. Een literair genre waarbij het meer om het verhaal dan om het gevoel gaat. Meestal zijn het prozateksten, maar het kunnen ook een (verhalende) gedichten zijn. De epiek is een literair genre, net als lyriek (maar bij de lyriek gaat het meer om de gevoelens dan om het verhaal).
Epigram. Een dichtvorm die ook wel ‘puntdicht’ wordt genoemd. Een kort en vaak humoristisch gedicht.
Epiloog. Nawoord. Een epiloog staat vaak aan het eind van een roman, een toneelstuk of een gedicht. De epiloog geeft soms de moraal van het voorgaande, maar soms vertelt de epiloog ook wat er na het verhaal met de karakters is gebeurd.
Epiloguezie: Epiloog.
Epistel. Een schrijven gericht aan een of meer personen, meestal in de vorm van een brief.
Epistolary novelzie: Briefroman.
Epos. Oorspronkelijk een heldendicht. Het literaire werk (soms is het ook een roman) verheerlijkt vaak een heldhaftige figuur, zoals een middeleeuwse ridder of een legendarische koning.
ERK-niveauzie: Taalniveau.
Essay. Een prozatekst waarin een auteur zijn/haar mening geeft over een bepaald onderwerp. Een essay is non-fictie: de auteur geeft haar/zijn persoonlijke visie en beargumenteert deze. In Engeland werden de eerste essays geschreven door Francis Bacon (16e eeuw); latere belangrijke essayschrijvers waren John Locke (17e eeuw), Alexander Pope en Samuel Johnson (18e eeuw).
Eurasia. Het rijk dat bestaat uit het grootse deel van Europa (minus Groot-Brittannië) en een groot deel van Azië. Eurasia komt voor in ‘1984’ van George Orwell. Eurasia was veel in oorlog met Oceania of met Eastasia.

^ Terug naar boven

F
Fabel. Een verhaal met een boodschap. Vaak zijn de hoofdpersonen dieren; daarom wordt ook vaak van een ‘dierenfabel’ gesproken. Beroemd in de Nederlandse literatuur zijn de fabels van Reinaard de Vos.
Fablezie: Fabel.
Faction. Literatuur die over waargebeurde gebeurtenissen gaat. Vaak hebben romans onderdelen van ‘faction’ gecombineerd met ‘fictie’. Zie bijvoorbeeld: ‘11/22/63’ van Stephen King of ‘Zeitoun’ van Dave Eggers.
Fairyzie: Fee.
Fairy talezie: Sprookje.
Fantasy. Fantastische literatuur; ‘fantastisch’ betekent hier: onwerkelijk, toverachtig. De verhalen en karakters zijn onwerkelijk en bedacht. Auteurs van fantasy hebben niet alleen onwerkelijke verhalen bedacht, maar vaak ook niet-bestaande wezens: kabouters, leprechauns, pixies, hobbits, enten, centaurs, elfen, enzovoort. Het genre is immens populair geworden, vooral dankzij J.R.R. Tolkien. Beroemde fantasy-schrijvers zijn Terry Pratchett, J.K. Rowling, Eoin Colfer en George R.R. Martin.
Farcezie: Klucht.
Faustverhaal, –legende. Een verhaal gebaseerd op een eeuwenoude legende. Volgens het verhaal verkocht de wetenschapper Faust zijn ziel aan de duivel. In ruil daarvoor kreeg hij alles wat zijn hart begeerde: alle kennis van de wereld, alle rijkdom, alle vrouwen. Helaas moest hij na jaren de rekening wel betalen: hij werd opgehaald – door de hulp van de duivel, Mephistopheles – die hem meevoerde naar de hel. Er zijn in de literatuur meerdere Faust-achtige verhalen geschreven, zoals ‘Macbeth’, ‘Vathek’ en ‘The Picture of Dorian Gray’.
Fee. Een sprookjeswezen dat toveren kan. Er zijn goede zowel als boze feeën.
Fictie. Verzonnen verhaal. De meeste romans zijn fictie.
Fictionzie: Fictie.
Flashback. Een terugblik. In een verhaal wordt – door de auteur of door een karakter – teruggeblikt naar een gebeurtenis uit het verleden. Vaak gebeurt dit om een gebeurtenis uit het heden van de roman toe te lichten. ‘Flashbacks’ worden gebruikt in klassieke literatuur (zoals van William Faulkner en David Mitchell), maar ook vaak in misdaadverhalen (zoals van Arthur Conan Doyle, Harlan Coben en Karin Slaughter).
Flash-forward. Een vooruitblik, het tegenovergestelde van een ‘flashback’. De flash-forward komt minder vaak voor in de literatuur dan de flashback. Soms is het een heel hoofdstuk of een lange scene, maar soms is het slechts een zinnetje: ‘He thought he was safe. Little did he know …’
Flaw (oftewel: character flaw). Een tekortkoming (probleem, beperking, onvolkomenheid, geestelijk gebrek) in een karakter dat de plot van het verhaal beïnvloedt. Bijvoorbeeld: een voetballer die aan drugs verslaafd raakt, of een agressief meisje dat docent wordt op een basisschool. ‘Character flaws’ worden onderscheiden in: ‘minor’, ‘major’ of ‘tragic’.
Four-letter-word. Een vloekwoord of een scheldwoord, maar soms ook een expliciet seksueel getint woord (veel van die woorden bestaan, eigenaardig genoeg, uit vier letters). Romans als ‘The Catcher in the Rye’ of ‘Carrie’ werden en worden soms op Amerikaanse bibliotheken en scholen in de ban gedaan vanwege de vele ‘four-letter-words’.
Free verse. Dichtkunst die niet rijmt en ook niet metrisch is. ‘Free verse’ komt vaak voor in modernere gedichten. Voorbeelden zijn er in de gedichten van e.e. cummings.

^ Terug naar boven

G
Gedicht. Een literair werk dat behoort tot de poëzie. Een gedicht bestaat uit weinig woorden die vaak veel zeggen. Oudere gedichten – tot 1920 ongeveer – rijmden vrijwel altijd (dan konden ze gemakkelijk worden onthouden en voorgedragen), moderne gedichten doen dat vaak niet.
Genre. Een categorie van de literatuur. Beroemde literaire genres zijn crime, fantasy, chicklit en science fiction.
Gekruist rijm. Een rijmvorm waarbij de eerste dichtregel rijmt op de derde en de tweede op de vierde. Het rijmschema is: A – B – A – B.
Gepaard rijm. Een rijmvorm waarbij de eerste dichtregel rijmt op de tweede en de derde op de vierde, enzovoort. Het rijmschema is dan: A – A – B – B. Voorbeeld: ‘I’ve been a wild rover for many’s the year / And I spent all my money on whiskey and beer / And now I’m returning with gold in great store / And I never will play the wild rover no more.’
Goblin – een dwerg, maar dan meestal een kwaadaardig persoon. Goblins komen voor in oude volksverhalen en sprookjes, maar ook in modernere literatuur, zoals in de boeken van J.R.R. Tolkien (zie The Hobbit) en J.K. Rowling (zie Harry Potter and the Chamber of Secrets).
Golem. Een wezen gemaakt van steen dat werd gemaakt en tot leven werd gewekt door een mens. Qua thematiek lijkt de golem op het ‘monster’ van Frankenstein (zie ook de roman ‘De Golem’). Moderne golems komen voor in de romans van Terry Pratchett.
Ghost storyzie: Spookverhaal.
Gothic novel. ‘Gothic’ in literatuur verwijst oorspronkelijk naar het gotische van een gebouw (de gotische bouwstijl). ‘Gothic novels’ spelen zich heel vaak af in middeleeuwse kastelen en het zijn griezel- of horrorverhalen. De verhalen kenmerkten zich oorspronkelijk door donkere gangen, hoge torens, kille kerkers, duistere daders en angstige maagden. De eerste ‘gothic novels’ waren romans als ‘The Castle of Otranto’ en ‘Frankenstein’. Tegenwoordig hebben deze romans lang niet altijd meer met kastelen te maken. ‘Gothic’ is zelfs een woord geworden dat een mode- en een muzieksoort aangeeft: met donkere kleding en duistere liederen.
Grant County. Het denkbeeldige district in de Amerikaanse staat Georgia waar zich veel romans van Karin Slaughter afspelen. Sara Linton, Jeffrey Tolliver en Lena Adams wonen en werken bijvoorbeeld in Grant County.
Graphic novel. Een beeldroman, vaak gebaseerd op een bestaande roman. Van veel klassieke romans of verhalen zijn ‘graphic novels’ gemaakt. Behalve een – ingekorte – tekst krijg je als lezer heel veel plaatjes die het verhaal toelichten: een soort stripverhaal dus. Net zoiets als een film: niet de echte literatuur, maar wel ongeveer de inhoud van het verhaal. Een voorbeeld van een ‘graphic novel’ is The Last Hero van Terry Pratchett.

^ Terug naar boven

H
Haiku. Een oorspronkelijk Japanse dichtvorm. Een haiku bestaat uit drie regels, met respectievelijk 5, 7 en 5 lettergrepen. Een humoristisch voorbeeld van een haiku is: ‘cuck oo cuck oo cuck / oo cuck oo cuck oo cuck oo / cuck oo cuck oo cuck’. (Roger McGough)
Hard-boiled (detective / novel / story). Een rauw en hard misdaadverhaal. Tegenwoordig niets bijzonders (vooral niet sinds de boeken van Slaughter en Gerritsen of van de vele Scandinavische schrijvers), maar in het begin van de twintigste eeuw was de harde detective iets bijzonders. De eerste schrijver op wiens werken de ‘hard-boiled’ detective van toepassing was, was de Amerikaan Raymond Chandler.
Heks. Een vrouwelijk wezen dat toveren kan. Zij komt veel voor in sprookjes. Vaak is het een boosaardige toverkol, die het slechtste voorheeft met de mensheid (vooral met kinderen). Maar sommige heksen zijn aardig en soms zelfs een beetje dom (zoals sommige heksen in de ‘Discworld’-romans van Terry Pratchett).
Held. De hoofdpersoon van een verhaal. Veel helden zijn dapper en winnen altijd in een strijd (Biggles, James Bond en Katniss Everdeen). Maar andere helden zijn een ‘anti-held’; die helden doen weinig heldhaftigs. Zij zijn gewoon de hoofdpersoon. Zie helden als Morgan Leafy, ‘Lucky’ Jim Dixon, Adrian Mole, de tovenaar Rincewind of Gregg Heffley.
Herdersdichtzie: Pastorale.
Herhaling. Het opnieuw vertellen of letterlijk herhalen van woorden, zinnen of fragmenten. Dit gebeurt vaak om iets te benadrukken. Slechte literatuur herhaalt veel en vermindert daardoor de betekenis, bij ‘goede’ literatuur versterkt het juist de betekenis.
Herozie: Held.
Historical fictionzie: Historische fictie.
Historische fictie. Verzonnen verhalen gebaseerd op historische feiten of figuren. De geschiedenis komt tot leven door verhalen te vertellen die dichtbij de lezers komen door de levendige karakters. Moderne historische fictie wordt bijvoorbeeld geschreven door Hilary Mantel, Peter Ackroyd of Khaled Hosseini (A Thousand Splendid Suns).
Historical novelzie: Historische roman.
Historical Play – De ‘historical plays’ of ‘histories’ is een term die eerst gebruikt werd voor de toneelstukken van William Shakespeare die een historische basis hebben. Zo haalde Shakespeare informatie voor historische figuren uit historische bronnen, waarna hij er een toneelstuk over schreef, dat elementen uit het leven van zo’n karakter bevatte. Dat waren bijvoorbeeld Britse leiders zoals Macbeth, Richard III en ‘Henry IV’, maar in feite ook andere Europese historische karakters, zoals Julius Caesar, ‘Anthony and Cleopatra’ of Hamlet (toneelstukken die ook als tragedie worden gecategoriseerd). Later werden er ook ‘historical plays’ geschreven door andere toneelschrijvers (zoals ‘Saint Joan’ van Sir Bernard Shaw of Murder in the Cathedral van T.S. Eliot).
Historische romanzie: Historische fictie.
Historyzie: Historische fictie. Of zie: Historical Play
Hobbit. Een sprookjesachtig wezen, bedacht door Tolkien. De hobbit is kleiner dan de gemiddelde dwerg, hij draagt geen baard, is erg netjes en leeft volgens de regels. De meeste hobbits wonen in Hobbiton in The Shire in Middle-Earth.
Hoofdkarakter. Het belangrijkste personage in een roman. Alle gebeurtenissen in het verhaal hebben met hem of haar te maken en ze beïnvloeden het leven en het karakter van de hoofdpersoon.
Horror. Griezelige verhalen waarbij de haren de lezer te berge rijzen. De eerste horrorverhalen werden geschreven als ‘gothic novels’, maar het genre werd pas echt beroemd dankzij Edgar Allan Poe. Vele honderden horrorschrijvers zouden volgen: van H.P. Lovecraft tot Dean Koontz en Stephen King.
Humor. Grappige literatuur. Veel literatuur heeft elementen van humor. Ook wordt humor vaak als ‘comic relief’ gebruikt: een soort adempauze, voordat er weer getreurd moet worden. Pure humorverhalen zijn vaak vermoeiend: de oude humorverhalen van P.G. Wodehouse en Jerome K. Jerome worden niet veel meer gelezen. Het eerste deel van ‘The Secret Diary of Adrian Mole, Aged 13¾’ is heel grappig, evenals ‘Diary of a Wimpy Kid’; het is de vraag of alle volgende delen even humoristisch zijn voor de liefhebber.
Humoristische romanzie: Humor.
Humourzie: Humor.
Hyperbolezie: Hyperbool.
Hyperbool. Overdrijving, met name in de dichtkunst. Soms is het belachelijk om enorm te overdrijven, soms is het gebruik van een hyperbool zeer toepasselijk. Denk aan ‘Stop all the clocks …’ en de daarop volgende regels van W.H. Auden.

^ Terug naar boven

I
Iambzie: Jambe.
Iambic pentameter. Een veelgebruikte versvoet in de Engelse literatuur; niet alleen in de poëzie, maar ook in het klassieke toneel (zoals in de stukken van Shakespeare). Een versregel in ‘iambic pentameters’ bestaat uit vijf jamben, tien lettergrepen per regel waarbij elke onbeklemtoonde lettergreep gevolgd wordt door een beklemtoonde (zoals in een jambe). Een voorbeeld van een ‘iambic pentameter’ is deze versregel van Shakespeare: ‘When I do count the clock that tells the time‘.
Ik-perspectief verteller. Het verhaal wordt verteld door de eerste persoon (enkelvoud). Door het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ te gebruiken wordt het verhaal vaak directer. Zie een roman als ‘Moby Dick’ of ‘Room’.
Image. Letterlijk: ‘het beeld dat men van iets of van iemand heeft’. Zo kan slecht gedrag iemand een negatieve image (of negatief imago) bezorgen.
Imagery – zie: Beeldspraak.
Imaginair. Denkbeeldig, zoals in de fantasie (van bijvoorbeeld de lezer of de schrijver).
In medias res. Letterlijk: ‘midden in de zaak’. De lezer van het verhaal (of de kijker bij de film of het toneelstuk) valt midden in de actie van het verhaal. Op deze manier wordt de belangstelling gewekt. Het stijlmiddel wordt tegenwoordig vaak gebruikt in misdaadverhalen: er wordt een misdaad gepleegd, maar niemand weet wie waar wanneer waarom door wie vermoord wordt. Om daar allemaal achter te komen moet je het hele verhaal lezen (of de film of het toneelstuk helemaal uitzien).
Innuendo. Een stijlfiguur die indirect en vaak op een subtiele manier iemand of iets bekritiseert. Er wordt iets geïnsinueerd, er wordt openlijk niets geks gezegd. De songtitel ‘If I said you have a beautiful body, would you hold it against me?’ bevat een innuendo.
Interbellum. Letterlijk ‘de periode tussen de oorlogen’. En met ‘oorlogen’ worden de Eerste (1914-1918) en Tweede Wereldoorlog (1939-1945) bedoeld.
Interlude. Een heel kort toneelstuk of een verbinding (soms alleen maar muzikaal) tussen verschillende delen van een toneelstuk.
Interior monologue. De verteller in een roman die een alleenspraak met zichzelf houdt. Zij/hij verwoordt haar/zijn gedachten. Beroemde ‘interior monologues’ worden gehouden in ‘Ulysses’ en ‘Mrs Dalloway’. Als een groot deel van een fragment uit interior monologues bestaat wordt het al snel een stream-of-consciousness-fragment.
Internal rhymezie: Binnenrijm.
Intertekstualiteit. Literaire teksten die andere literaire teksten noemen. Zo verwijzen auteurs naar andere verhalen of fragmenten (zonder die bij naam te noemen). Er zit veel intertekstualiteit in de romans van J.M. Coetzee en Terry Pratchett, maar de dichter T.S. Eliot gebruikte het stijlmiddel al in zijn lange gedicht ‘The Waste Land’, toen de term ‘intertekstualiteit’ nog moest worden uitgevonden.
Intertextualityzie: Intertekstualiteit.
Intrige. Een klein soort plot, een gebeurtenis die invloed heeft op het verloop van het verhaal. Terwijl de plot de hele roman bepaalt, is de intrige vaak maar van invloed op een deel van het verhaal.
Ironie. Milde spot. In plaats van met harde woorden kritiek te geven, kan dat ook fijntjes, met ‘tongue-in-cheek’ worden gedaan. De meester van de ironie is Jane Austen, die de zwakheden in haar karakters duidelijk wist te maken met omfloerste opmerkingen of verhullende omschrijvingen.
Ironyzie: Ironie.

^ Terug naar boven

J
Jambe. Een onbeklemtoonde lettergreep gevolgd door een beklemtoonde. ‘Reply’ is een jambe, ‘answer’ is het tegenovergestelde: een trochee.
Jeugdroman. Een boek geschreven voor jongeren. Een jeugdroman is geen kinderboek en eigenlijk ook geen young adult novel: een jeugdroman is bedoeld voor jongeren uit de hoogste klas van het basisonderwijs en uit de laagste klassen van het middelbaar onderwijs.
Jongerenromanzie: Jeugdroman.

^ Terug naar boven

K
Karakter. Een personage in een literair werk. Soms wordt het karakter ook wel de ‘persoon’ genoemd. Het is een lastig woord – zowel ‘karakter’, als ‘persoon’, als ‘personage’ – want veel karakters in de literatuur zijn niet echt een persoon te noemen: wie of wat is Moby Dick, Sauron, Dracula of IT?
Karikatuur. Een aangedikt personage, dat overdreven eigenschappen heeft zodat het er heel dik boven op ligt wie of wat zo’n persoon is. Dickens schiep veel karikaturen: goeiige sullen of gewetenloze schurken als Mr Micawber of Sykes.
Kenning. Een synoniem dat vaak bestaat uit een samenstelling van twee woorden. Kennings werden veel gebruikt in Oud Noorse, IJslandse en Oud Engelse poëzie. Dichters gebruikten kennings om meerdere synoniemen van een woord te geven. Zo gebruikte men het woord ‘lîk-hamo’ in plaats van ‘body’ (‘lîk’ of ‘lîc’ betekende ‘lichaam’ – denk aan ‘lijk’; ‘hamo’ betekende ‘huis’). Overigens is in een aantal talen – waaronder het Nederlands – deze kenning blijven bestaan: ‘lichaam’. Een ander voorbeeld is ‘heofones ġim’ = ‘heaven’s gem’ = ‘the sun’; of ‘wæl wæġ = ‘whale’s way’ = ‘the sea’.
Kinderboek. Een boek speciaal geschreven voor kinderen, voor personen tot ongeveer 12 jaar oud. Een kinderboek of kinderliteratuur hoeft niet kinderachtig te zijn: denk maar eens aan de vele griezelige en bloederige sprookjes of aan de kinderboeken van Roald Dahl. Veel kinderboeken werden in de eerste plaats geschreven om te worden voorgelezen.
King James’ Bible. De Bijbel die in het ‘moderne’ Engels werd vertaald tijdens de regering van King James I. Deze Bijbelvertaling (ook wel ‘Authorized Version’ genoemd) van 1603 had een enorme invloed op de Engelse taal (zoals de Statenvertaling in Nederland, die werd gemaakt tussen 1609 en 1621).
Klanknabootsing zie: Onomatopee.
Klucht. Oorspronkelijk een toneelstuk. Een klucht is veel luchtiger dan een komedie en kent vaak onzinnige en onnozele karakters, intriges of situaties.
Kolder. Onzinnige en vaak humoristische verhalen of romans. De situaties en karakters zijn vaak onmogelijk en kenmerken zich door veel overdrijving.
Komedie. Een literair werk dat (of een film die) goed eindigt. Er is een ‘happy end’ voor de meeste karakters. Toneelstukken worden vaak gerubriceerd als ‘komedie’ of ‘tragedie’. Soms is dat lastig: hoewel ‘The Merchant of Venice’ van Shakespeare een happy end kent voor bijna iedereen, blijven Shylock en Antonio eenzaam achter; daar is niets komisch aan. En een tragedie als ‘Hamlet’ kent de nodige komische elementen.
Koor. In het drama is het ‘koor’ de persoon of de personen die commentaar levert / leveren op wat er zojuist is vertoond of die voorspelt / voorspellen wat er straks gaat gebeuren. Het ‘koor’ is een verbindende factor tussen de verschillende bedrijven van een toneelstuk. Het ‘koor’ wordt ook wel ‘rei’ genoemd (in het Engels: ‘chorus’).
Kort verhaal. Een fictietekst die meestal iets langer is dan één pagina, maar korter dan 20 pagina’s. Langere verhalen worden novellen genoemd.
Kwatrijn. Een dichtcouplet van vier regels.
Kwintet. Een dichtcouplet van vijf regels.

^ Terug naar boven

L
Legendzie: Legende.
Legende. Een oud verhaal dat meestal helemaal verzonnen is. Legenden gaan vaak een eigen leven leiden in de loop der jaren (eeuwen), waardoor sommige mensen bijna geloven dat iets echt gebeurd is. Zo bezoeken veel mensen jaarlijks de geboorteplaats(en) en de sterfplek(ken) van Koning Arthur, allemaal vanwege de vele legenden over die legendarische figuur.
Light verse. Een gedicht met een eenvoudig thema en in simpele bewoordingen. Gedichten in ‘light verse’ zijn vaak humoristisch (gedichten over dieren of over kinderen, bijvoorbeeld).
Limerick. Een gedicht van 5 regels met een vast rijmschema: A – A – B – B – A. Vaak is het laatste woord van de eerste regel een plaatsnaam: ‘There once was a woman in Madras …’
Literair niveau. De moeilijkheidsgraad van een literair werk. Literaire werken worden tegenwoordig vaak ingedeeld in 6 niveaus, van heel eenvoudig (niveau 1) tot heel complex en zeer literair (niveau 6). De indeling is ontwikkeld door dr. Theo Witte.
Literary levelzie: Literair niveau.
Literaturezie: Literatuur.
Literatuur. Geschreven kunst in poëzie, proza of toneel. Eeuwenlang hebben experts gekibbeld over wat literatuur nu eigenlijk zou moeten zijn en wat goede literatuur is. Die smaak wisselt met de tijden: Shakespeare en Tolkien  werden in hun tijd niet als literatuur bestempeld.
Lyriek. Teksten die persoonlijke gevoelens weergeven. Meestal zijn dit gedichten. Het woord ‘lyriek’ komt van het Griekse woord voor ‘lier’: die gevoelens werden dus waarschijnlijk oorspronkelijk door een lier begeleid. Bij lyrische teksten gaat het meer om het gevoel dan om het verhaal (in tegenstelling tot dat andere literaire genre: de epiek).

^ Terug naar boven

M
Magiczie: Magie.
Magie. Toverkunst. Magie speelt een belangrijke rol in het literaire genre fantasy. In dit genre is er vaak een belangrijke rol voor tovenaars, magiërs en heksen.
Magisch realisme. De term wordt gebruikt in de schilderkunst en in de literatuur. Het is een stroming in de kunst waarbij de werkelijkheid verbonden wordt met een andere werkelijkheid, waardoor er een soort droomeffect ontstaat. Zo’n andere werkelijkheid kan een andere wereld zijn: een geestenwereld of een wereld in een andere dimensie. Auteurs die magisch-realistische elementen in hun literatuur verwerken zijn bijvoorbeeld Sir Henry Rider Haggard, H.P. Lovecraft, Edgar Allan Poe, J.R.R. Tolkien, C.S. Lewis, Salman Rushdie, Peter Straub en Stephen King.
Main characterzie: Hoofdkarakter.
Metafoor. Een vergelijking in een literair werk. Een dreigend onweer kan een metafoor zijn voor een naderend onheil, zoals een oorlog of een echtelijke ruzie.
Metaphorzie: Metafoor.
Metrezie: Metrum.
Metrum. De maat, het ritme van een gedicht. Klassieke gedichten hebben over het algemeen een vast metrum (zodat het goed voor te dragen of te zingen is); modernere gedichten hebben dat minder (omdat ze meestal alleen maar gelezen worden). Sinterklaasgedichten hebben vrijwel altijd een vast metrum en een vast rijmschema (‘Sint zat wekenlang na te denken / Wat hij aan ….. zou schenken  …’).
Middle-earth. De wereld waar The Hobbit en The Lord of the Rings zich afspelen, een fantasiewereld geschapen door J.R.R. Tolkien.
Minor characterzie: Bijfiguur.
Misdaad. Een genre in de literatuur waarin de misdaad centraal staat. Vaak kent een ‘crime novel’ een politieman of –vrouw (een detective) die deze misdaad oplost.
Misdaadroman. Een roman over misdaad. Deze romans worden al sinds de negentiende eeuw met veel plezier geschreven en gelezen: denk aan Edgar Allan Poe, Wilkie Collins en Sir Arthur Conan Doyle. In de twintigste eeuw werd het genre pas echt populair, vooral door veel vrouwelijke auteurs, zoals Agatha Christie, Dorothy L. Sayers, Josephine Tey, P.D. James, Ruth Rendell, Karin Slaughter, Tess Gerritsen, enzovoort.
Modernismzie: Modernisme.
Modernisme. Een kunstzinnige – dus ook literaire) beweging die ontevreden was over de gevestigde kunst van dat moment. Het modernisme uit het begin van de twintigste eeuw zorgde bijvoorbeeld voor een grote vernieuwing van de dichtkunst (T.S. Eliot, Ezra Pound).
Monologuezie: Monoloog.
Monoloog. Een alleenspraak. Een acteur in een toneelstuk spreekt  tegen het publiek. Hij becommentarieert wat er gebeurd is of vertelt wat er gaat gebeuren (wat zij/hij gaat doen). Zo’n monoloog lijkt op het toneel vaak onnatuurlijk, vooral wanneer er andere acteurs om de spreker heen staan die net doen of ze niets horen. In het klassieke toneel (bijvoorbeeld in de tijd van Shakespeare) was dit helemaal niet onnatuurlijk: de acteur stond vaak op een plankier te midden van het publiek; andere acteurs stonden verder weg.
Moraal. De ‘les’ in een literatuur werk. De moraal van een verhaal kan zijn dat je trouw moet blijven aan je vrienden. Soms is de moraal heel duidelijk af te leiden uit het verhaal, soms is dat totaal niet het geval.
Moralzie: Moraal.
Multicultural literaturezie: Multiculturele literatuur.
Multiculturele literatuur. Verhalen over immigranten in een bepaalde samenleving. Het kunnen verhalen zijn over Ieren die zich vestigden in de Verenigde Staten, maar ook verhalen over Kenianen die in Groot-Brittannië kwamen wonen na de Tweede Wereldoorlog. Veel thema’s in de multiculturele roman gaan dan ook over aanpassingen.
Mysterie. Een verhaal met een raadsel of een geheim. Veel verhalen met het thema ‘mysterie’ gaan ook over misdaad en de oplossing ervan.
Mysteryzie: Mysterie.
Mythzie: Mythe.
Mythe. Een bedacht mythologisch verhaal, vaak over goden. Dit kunnen Griekse of Romeinse goden zijn, maar ook Germaanse of Keltische goden of goden uit een minder bekende wereld.
Mythologie. Het geheel van mythische verhalen uit een bepaalde cultuur. Zo kennen we de Griekse, de Germaanse, de Keltische, de Noordse mythologie.

^ Terug naar boven

N
Nadsat. De bedachte taal in de roman ‘A Clockwork Orange’ van Anthony Burgess, een combinatie van nonsenswoorden, Engels en Russisch.
Narnia. Het sprookjesrijk uit de zevendelige serie The Chronicles of Narnia van de Britse auteur C.S. Lewis.
Narratief. Vertellend. Zoals een verhaal meestal wordt verteld: dus met een begin, een middenstuk en een eind.
Narrativezie: Narratief.
Narratorzie: Verteller.
Nawoordzie: Epiloog.
Neverland. Het sprookjesland waar Peter Pan woont (zie ‘Peter Pan‘).
Newspeak. De taal die in de roman ‘1984’ gesproken en geschreven wordt. ‘Newspeak’ werd door de leiders bedacht om de gedachten van mensen te beïnvloeden en te beperken. Zo werden synoniemen grotendeels afgeschaft. Woorden voor ‘goed’ en ‘slecht’ (zoals ‘fantastisch’, ‘geweldig’, ‘waardeloos’, ‘vreselijk’) werden veranderd in ‘plusgood’, ‘doubleplusgood’, ‘ungood’ of ‘doublungood’.
Nom de plume – zie: Pseudoniem.
Non-fictie. Een niet-verzonnen verhaal dat gebaseerd is op de waarheid. Journalistiek is over het algemeen non-fictie.
Non-fictionzie: Non-fictie.
Non-fiction fiction.  Fictie die gebaseerd  is op een waargebeurd verhaal of op een reële situatie. De schrijfstijl doet vaak journalistiek aan. Zie: In Cold Blood van Truman Capote.
Nonsense poetry. Dichtkunst die zo op het eerste gezicht eigenlijk nergens over lijkt te gaan. Vaak is nonsense poetry grappig en heel origineel bedacht. Schrijvers die zich voor het eerst bezighielden met dit soort poëzie waren bijvoorbeeld Lewis Carroll en Edward Lear.
Novelzie: Roman.
Novel of mannerszie: Comedy of manners.
Novellazie: Novelle .
Novelle. Een literair werk korter dan een roman (met minder dan 40.000 woorden), maar langer dan een kort verhaal (langer dan 20 pagina’s).

^ Terug naar boven

O
Oceania. Het rijk dat bestaat uit Noord- en Zuid-Amerika, Groot-Brittannië, Zuid-Afrika en Australië. Oceania komt voor in de roman ‘1984’ van George Orwell. Oceania was altijd in oorlog met Eurasia of met Eastasia. Groot-Brittannië wordt in ‘1984’ ‘Airstrip One’ genoemd.
Octaaf. Een gedicht van acht regels.
Octavezie: Octaaf.
Ode. Een formeel en vaak plechtig gedicht waarin iemand of iets verheerlijkt wordt. Er zijn odes geschreven aan natuurfenomenen (‘Ode to the West Wind’), maar ook aan historische personen (‘Ode to Richard Lionheart’).
Odyssee. Oorspronkelijk een episch dichtwerk van de Griekse schrijver Homerus. Het woord ‘odyssee’ wordt tegenwoordig vaak gebruikt voor een lange reis met veel moeilijkheden onderweg. Voorbeelden van een odyssee in de Engelstalige literatuur zijn ‘The Pilgrim’s Progress’, The Lord of the Rings, The Road of ‘The Stand’.
Off-stage. Letterlijk ‘buiten het toneel’. Vaak werden bepaalde handelingen buiten het toneel geplaatst. Bijvoorbeeld omdat ze te ingewikkeld, te bloederig of te expliciet waren. Zo werden veldslagen in de stukken van Shakespeare meestal alleen maar beschreven of gerapporteerd door een acteur.
Old Englishzie: Oud Engels.
Omarmend rijm. Een rijmvorm waarbij de eerste dichtregel rijmt op de vierde en de twee op de derde (als het een strofe van vier regels betreft). Het rijmschema is dan: A – B – B – A.
Onbetrouwbaar perspectiefzie: Onbetrouwbare verteller.
Onbetrouwbare verteller. Een verteller van een verhaal is meestal bevooroordeeld of (gedeeltelijk) onwetend van iets. Hij of zij vertelt een verhaal vanuit een eigen, en vaak onbetrouwbaar perspectief. Dat maakt dit personage ‘onbetrouwbaar’. Niet omdat die persoon dat opzettelijk is, maar omdat zij/hij niet alles (precies meer) weet of niet alles zelf heeft meegemaakt. Soms is zo’n personage argeloos, wat tot grote hilariteit kan leiden (Adrian Mole of Gregg Heffley), soms worden de verhalen ongeloofwaardig (situaties in de roman ‘jPod‘ van Douglas Coupland), soms is een personage echt onbetrouwbaar (de karakters Shelter in ‘Stone Cold’ of Alex in ‘A Clockwork Orange’).
Onomatopoeia zie: Onomatopee.
Onomatopee. Een klanknabootsing: een woord dat een geluid weergeeft (‘boo’). In het kinderliedje ‘Old McDonald had a farm’ komen veel onomatopoeia’s voor (‘with a boo-boo here and a boo-boo there’).
Oorlogsroman (-boek, -verhaal). Een roman waarin een oorlog als setting is gebruikt. Soms gaat het over de ellende van zo’n oorlog of de strategische handelingen, maar heel vaak gaat het over overleven tijdens zo’n oorlog. Over de Amerikaanse Burgeroorlog werden romans geschreven (The Red Badge of Courage), evenals over oorlogen tegen Vikingen (Beowulf, The Homecoming of Beorhtnoth Beorhthelm’s Son). Over de Eerste Wereldoorlog werden relatief weinig romans geschreven (‘Return of the Brute’), over de Tweede Wereldoorlog des te meer (door schrijvers als Graham Greene, Nevil Shute, Leon Uris, Robert Westall).
Opsomming. Een opsomming van ten minste drie dingen of drie delen. Opsomming of enumeratie wordt vaak gebruikt in poëzie.
Oud Engels. De Oud-Engelse taal (‘Old English’) werd gesproken – en sporadisch ook geschreven – door de volkeren die tussen ongeveer 400 en 1100 op de Britse eilanden woonden. Het was een West-Germaanse taal, een taal die de dialecten van de Angelen, Saksen, Kelten, Britten, Juten, Friezen en Belgen combineerde. Voor sprekers van het hedendaagse Engels is de taal vrijwel geheel onbegrijpelijk. De taal kan aan universiteiten worden gestudeerd, meestal als bijvak van het moderne Engels. De beroemdste professor in de Oud Engelse taal en letterkunde was ongetwijfeld J.R.R. Tolkien, die veel elementen uit dat Oud Engels gebruikte in zijn boeken (zoals in The Lord of the Rings). Het beroemdste literaire werk in het Oud Engels is Beowulf.
Oxymoron. Twee tegengestelde woorden of begrippen bij elkaar gevoegd. Dit gebeurt vaak in de poëzie om lezers aan het denken te zetten (‘black sun’).
Oz. Het land waar Dorothy na een orkaan terechtkomt (zie ‘The Wonderful Wizard of Oz‘).

^ Terug naar boven

P
Pageturner. Een boek dat je moet uitlezen: de pagina moet snel worden omgeslagen. Veel thrillers en avonturenboeken zijn ‘pageturners’.
Paradox. Een schijnbare tegenspraak. Het lijkt op een oxymoron, maar in een paradox gaat het om een zin of een fragment, waarin woorden of betekenissen elkaar lijken tegen te spreken: ‘The murderer was as innocent as a new-born child’.
Pastoral playzie: Pastorale.
Pastorale. Ook wel herdersdicht genaamd. Oorspronkelijk een gedicht over herders en herderinnetjes waarin de natuur wordt verheerlijkt. De belangrijkste literaire vorm van de pastorale werd de verbeelding in dramavorm (in het Engels ‘pastoral play’ genoemd): een verhaal waarin stadsmensen – vaak adellijke en welgestelde burgers – zich vermomden als herders en herderinnen en in de natuur gingen wonen. Ze konden op die manier (vermomd als leden van een groep simpele mensen) niet alleen de natuur en alles wat daarbij hoort verheerlijken, maar ook kritiek leveren op het leven in de wereldse, corrupte, politieke samenleving die ze wel kenden maar waarvan ze even geen deel uitmaakten. Voorbeelden van pastoral plays’ zijn ‘The Second Shepherd’s Play’ van een anonieme Engelse auteur en As You Like It van William Shakespeare.
Personificatie. Een ding of een eigenschap wordt als een persoon verbeeld. Dit gebeurde vroeger regelmatig in dichtkunst of bij het toneel. Een eigenschap als ‘avarice’ of ‘kindness’ werd een sprekende persoon; evenzo kon een tafel of een boerderij als persoon (of beter: personage of karakter) worden voorgesteld. Personificatie komt voor in het (oorspronkelijk Nederlandse middeleeuwse) toneelstuk ‘Everyman’ en later in de (christelijke) roman ‘The Pilgrim’s Progress’.
Personificationzie: Personificatie.
Perspectief. Het oogpunt van waaruit van waaruit naar een persoon of naar een handeling of gebeurtenis wordt gekeken. In de literatuur kunnen gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog vanuit een Amerikaans of een Duits perspectief worden beschouwd.
Perspectivezie: Perspectief.
Picture-frame storyzie: Verhaal-in-een-verhaal.
Pixie. Een mythisch wezen uit een volksverhaal. Vaak hebben ze puntoren, een puntmuts en groene kleding. Ze zijn niet per definitie vriendelijk te noemen. Zo is het kwaadaardige wezen Opal Koboi, dat onder andere voorkomt in ‘Artemis Fowl and the Opal Deception‘, een pixie.
Pleonasmzie: Pleonasme.
Pleonasme. Een woord dat een ander woord benadrukt. Het lijkt dubbelop, maar het is vaak bedoeld om de betekenis nog duidelijker te maken. Voorbeeld: ‘the innocent white snow’.
Plot. De intrige, datgene waar het verhaal om draait. Vaak is de plot van een verhaal duidelijk (zoals in de meeste misdaadverhalen), soms is dat totaal niet het geval (bijvoorbeeld in ‘The Waves’ van Virginia Woolf).
Poemzie: Gedicht.
Poetryzie: Poëzie.
Poëzie. Dichtkunst. Dus literatuur, maar geen proza of toneelkunst.
Prequel. Een voorloper. Een ‘prequel’ is het tegenovergestelde van een ‘sequel’. ‘The Hobbit’ is een prequel van ‘The Lord of the Rings’.
Prologuezie: Proloog.
Proloog. Letterlijk: ‘voorwoord’. Heel vaak bestaat een proloog uit één of meer pagina’s aan het begin van een boek, waarin wordt verteld wat er zal gebeuren, of waarom zo’n verhaal geschreven is. Veel toneelstukken worden ook voorafgegaan door een proloog, waarin de kijker/luisteraar alvast wordt voorbereid op wat er komen gaat. De beroemdste proloog uit de literatuur is waarschijnlijk ‘The General Prologue’ uit ‘The Canterbury Tales’ van Geoffrey Chaucer, een Middelengels gedicht van rond 1400.
Prosezie: Proza.
Protagonistzie: Held.
Proza. De meest geschreven, gelezen en populairste literatuur in de vorm van verhalen of romans. Dus literatuur, maar geen poëzie of toneelkunst.
Pseudoniem. Een andere naam die door een auteur wordt gebruikt (ook wel ‘nom de plume’ genoemd). Sommige auteurs zijn alleen maar bekend onder hun pseudoniem, andere schrijvers gebruiken naast hun eigen naam ook nog een pseudoniem. Zo is Nicci French het pseudoniem van de auteurs Nicci Gerrard en Sean French, George Eliot is het pseudoniem van Mary Anne (of Marian) Evans en Joseph Conrad heette in werkelijkheid Konrad Korzeniowski. Bekende auteurs die ook onder een ander  pseudoniem schrijven zijn: Ruth Rendell (a.k.a. Barbara Vine), Stephen King (Richard Bachman),
Pseudonymzie: Pseudoniem.
Psychological novelzie: Psychologische roman.
Psychologische roman. Een fictioneel werk waarin de gedachten en ideeën van de karakters (en van de auteur) belangrijker zijn dan de handelingen en gebeurtenissen in het verhaal. Auteurs die psychologische romans hebben geschreven, zijn bijvoorbeeld Toni Morrison of Philip Roth.
Pulp fiction. Oorspronkelijk: goedkope literatuur, wegwerpliteratuur. Het woord had betrekking op de ‘pulp’, het goedkope papier waarvan het gemaakt werd. Pockets en paperbacks waren vaak van pulp gemaakt. In de loop der jaren is sommige pulp fiction toch erkend als belangrijke literatuur. Denk aan veel misdaadverhalen, zoals de verhalen van Ed McBain of Raymond Chandler. Vaak zijn de omslagen van pulp fiction schreeuwerig, met spectaculaire kleuren en afbeeldingen. Een voorbeeld van zo’n uitgave is de roman ‘Joyland’ van Stephen King.
Punzie: Woordspeling.
Puntdichtzie: Epigram.

^ Terug naar boven

Q
Quatrainzie: Kwatrijn.
Queeste. Een zoektocht, meestal naar een persoon of een ding (zoals een schat). Maar ‘The Lord of the Rings’ is een beroemde queeste naar de vulkaan, de plek waarin de ring moet worden vernietigd.
Questzie: Queeste.
QuintetzieKwintet.

^ Terug naar boven

R
Raadsel. Een korte tekst (een verhaaltje, een gedicht) dat een vraag oproept. Die vraag wordt (soms in dezelfde tekst) beantwoord. Raadsels kunnen intrigerend of ernstig, maar ook humoristisch zijn. In het Oud-Engels werden veel raadsels geschreven. Een (modern) voorbeeld van een raadsel (‘riddle’): ‘I am the question that cannot be answered / I am the lover that cannot be lost / Yet small are the gifts of my servant the soldier / For time is my offspring, pray, what is my name?’ (antwoord: Death) (Robin Williamson, The Incredible String Band, ‘My Name Is Death’)
Raamvertellingzie: Verhaal-in-een-verhaal.
Rap. Op een ritmische manier uitspreken (tegenwoordig meestal: zingen) van een tekst. Een rap kan worden uitgesproken met of zonder muziek. Het woord ‘rap’ betekent oorspronkelijk ‘snel zeggen’, ‘snel praten’. Rap werd populair in de jaren tachtig toen de Afro-Afrikaanse zangers deze vorm van muziek gebruikten. Een aantal beroemde rap-artiesten van het eerste uur zijn Chuck D., Big Daddy Kane, The Notorious B.I.G., Eminem, Wu Tang Clan. De rap werd en wordt vaak geïntegreerd in de zwarte hip hop muziek.
Red herring. Een dwaalspoor dat wordt gelegd om de lezer te verwarren. ‘Red herrings’ zijn heel gebruikelijk in de misdaadliteratuur om onschuldige personen verdacht te maken en andersom.
Refrainzie: Refrein.
Refrein. Een herhaling van één of meer regels. In gedichten komen refreinen regelmatig voor. Van oudsher was het refrein nodig om de lezer of luisteraar te herinneren aan de kern van het verhaal en vaak ook om de luisteraar mee te laten brullen of zingen: ‘And it’s no … nay … No nay never again, Will I play the wild rover, No never again!’
Reizie: Koor.
Repetitionzie: Herhaling.
Rhymezie: Rijm.
Riddlezie: Raadsel.
Rijm. Twee of meer woorden of delen van woorden klinken hetzelfde (life – wife). Behalve dit ‘gewone’ rijm zijn er andere rijmvormen zoals assonantie of alliteratie.
Roman. Een lang werk in proza. Het is lastig de roman te definiëren; er zijn prozaromans met gedichten en met toneelstukken erin, maar over het algemeen is het voornamelijk proza. Daarnaast is ‘lang’ een betrekkelijk begrip. Meestal beschouwt men een literair werk van 40.000 woorden of meer als een roman.
Romance. Ook wel romantic novel genoemd. Bij een romance gaat het in de eerste plaats om (liefdes)relaties van de belangrijkste karakters en minder om de literaire waarde van het verhaal.
Romantic novelzie: Romance.
Run-on lineszie: Enjambement.

^ Terug naar boven

S
Sagazie: Sage.
Sage. Een traditioneel volksverhaal, vaak van Germaanse of Scandinavische bronnen. Vaak is de sage gebaseerd op een waar historisch feit of een persoon. Zo zijn er sagen rond de Flying Dutchman of andere zeevaarders (The Wanderer, The Seafarer). ‘The Wizard of Earthsea’ doet denken aan een sage, evenals delen van ‘The Lord of the Rings’ of ‘A Song of Ice and Fire’.
Saksen. Een West-Germaanse stam die de Britse eilanden binnenviel in de periode 400-600. Dat deden ze samen met andere Germaanse stammen, zoals de Angelen, de Juten en de Friezen. De Saksen woonden oorspronkelijk in Noord-Duitsland, zo’n beetje in de regio tussen de steden Bremen en Hamburg. Na de grote volksverhuizing van circa het jaar 400 vestigden de Saksen zich niet alleen in West-Duitsland en in Groot-Brittannië, maar ook in Oost- en in Noordoost Nederland. De Britse graafschappen Essex, Sussex, Middlesex en Wessex verwijzen naar de Saksen.
Sarcasmzie: Sarcasme.
Sarcasme. Bijtende humor. Vaak gaat deze ten koste van personen of zaken en wordt zulke humor door die personen niet echt op prijs gesteld.
Satire. Spottende literatuur. Satire kan gepaard gaan met sarcasme, maar dat hoeft niet. Satire heeft een element van humor, wat sarcasme meestal niet heeft. Satirische werken werden onder andere geschreven door Alexander Pope en Jonathan Swift.
Scene. Soms ook wel ‘toneel’ genoemd. Een scene is een deel van een acte (bedrijf). Vaak kenmerkt een scene zich door een wisseling van decor (zoals goed te zien in films).
Science fiction. Een verhaal over personen en gebeurtenissen in een toekomst. Die toekomst kan heel ver weg zijn (zoals vaak inde verhalen van Arthur C. Clarke, bijvoorbeeld in 2001, A Space Odyssey), maar ook heel dichtbij. Zo schreef H.G. Wells zijn ‘The War of the Worlds’ in 1898 en hij plaatste het verhaal tien jaar verder in de toekomst. Veel science fiction gebruikt wetenschappelijke ontwikkelingen en voorspelt daarover verder (klonen, tijdreizen, teleportatie).
Sequelzie: Vervolg.
Setting. De tijd en plaats van een literair werk. Letterlijk betekent setting: ‘omgeving’.
Sextet. Een dichtcouplet van zes regels.
SFzie: Science fiction.
Short short storyzie: Ultrakort verhaal.
Short storyzie: Kort verhaal. Een verhaal van enkele pagina’s tot 30-40 pagina’s. Korter dan een novelle, maar langer dan een ultrakort verhaal.
Simile. Beeldspraak met daarin een duidelijke vergelijking: ‘As dark as the night’.
Slang. Taal die gebruikt wordt door een bepaalde, vaak kleine groep mensen. Zo wordt in de rap- en hip hopmuziek veel ‘slang’ gebruikt. Het kunnen platvloerse woorden zijn, maar dat hoeft niet. Zo zijn er veel ‘slang’woorden voor drugs: behalve ‘joint’, ‘grass’, ‘weed’, ‘crack’ en ‘pot’ zijn er waarschijnlijk nog wel tientallen woorden in omloop. Voorbeelden van ‘slang’ vind je in de roman ‘Their Eyes Were Watching God‘ van Zora Neale Hurston.
Sleutelroman, -verhaal, -figuur. Een belangrijk verhaal of persoon dat of die onmisbaar is voor de andere verhalen. Eerste delen van series (‘Artemis Fowl’, ‘A Game of Thrones’, ‘The Gunslinger’, ‘The Hobbit’) zijn vaak sleutelromans; zonder die delen te hebben gelezen zijn de vervolgen (de ‘sequels’) vaak moeilijk te volgen. Een sleutelfiguur in ‘The Lord of the Rings’ is Gandalf, in de Discworld-romans is dat bijvoorbeeld DEATH.
Soliloquyzie: Monoloog.
Sonnet. Een gedicht van 14 regels.
Spanning. Een plot wordt verlevendigd door spanning. De spanning in een verhaal wordt opgebouwd op een bepaalde manier. Oorspronkelijk lag dit behoorlijk vast – zoals in de klassieke toneelstukken met een intrige, ontwikkeling, climax, enzovoort – maar in moderne literatuur is dat wisselend. Een roman als The Waves van Virginia Woolf kent nauwelijks enige spanning.
Spit narrative. Een verhaal dat verteld wordt vanuit meerdere perspectieven, bijvoorbeeld door meerdere ik-vertellers. Een mooi voorbeeld van een split narrative is As I Lay Dying van William Faulkner.
Spookverhaal. Een verhaal waarin spoken of geesten een belangrijke rol spelen. Spookverhalen werden al eeuwen verteld, maar pas in de negentiende werden ze populair als literatuur (door schrijvers als Charles Dickens, Henry James, Edgar Allan Poe). Het genre spookverhaal (‘ghost story’) bleef daarna een populair genre, zowel in de literatuur voor volwassenen (Ambrose Bierce, O. Henry, Ray BradburyStephen King, V.C. Andrews, Shirley Jackson, Susan Hill) als voor young adults (Mary Downing Hahn, Betsy Byars, Robert Cormier, J.K. Rowling).
Sprookje. Een verzonnen verhaal, vaak met een boodschap. Veel sprookjes werden geschreven voor kinderen en zijn al honderden jaren oud. Vandaar dat veel sprookjes – vaak in wisselende vormen – voorkomen in meerdere talen en culturen. In een sprookje is er vaak een rol voor (onschuldige) kinderen, boze heksen of tovenaars en angstaanjagende dieren. Moderne sprookjes werden geschreven door Lewis Carroll (‘Alice’s Adventures in Wonderland‘), Beatrix Potter (‘The 23 Tales‘), Kenneth Grahame (‘The Wind in the Willows‘) en Roald Dahl (‘The BFG‘).
Standalone roman. Een roman die op zichzelf staat en niet thuishoort in een reeks verhalen. Stephen King schreef meerdere delen rond ‘The Dark Tower’-serie, maar de meeste van zijn romans zijn ‘standalone’-verhalen.
Stanzazie: Strofe.
Stijl. De wijze waarop een literair werk geschreven is. Stijl kenmerkt een literair werk door taalgebruik, door literaire middelen of door stijlfiguren.
Stream-of-consciousness. Gedachten die zo letterlijk mogelijk worden verwoord in een literair werk. Het lijkt alsof een karakter tegen de lezer spreekt, compleet met versprekingen, zijpaden, bijgedachten, gedachtesprongen. Stream-of-consciousness komt bijvoorbeeld voor in romans van Laurence Sterne, James Joyce, Virginia Woolf (‘Mrs Dalloway‘) en Jonathan Safran Foer (‘Extremely Loud & Incredibly Close‘).
Strofe. Een couplet, een deel van een gedicht. In klassieke gedichten is een strofe vaak een vast aantal regels (zoals vier).
Stylezie: Stijl.
Subplot. Naast de plot van een verhaal kunnen er ook subplots zijn. Een subplot is belangrijker en groter dan een intrige en hoeft niet ten dienste te staan van de (hoofd)plot.
Subthema. Een verhaal heeft meestal een thema: het hoofdthema. Maar sommige verhalen hebben naast dat hoofdthema nog andere thema’s. Zo kan een oorlogsverhaal (hoofdthema: oorlog) ook gaan over de liefde. Zo’n ander thema – dat iets minder belangrijk lijkt voor het verhaal – wordt een subthema genoemd.
Surrealisme. Letterlijk: iets dat niet werkelijk is. Dus iets dat tot de fantasie behoort. Het surrealisme was een belangrijke stroming in de kunst (met name in de beeldende kunst). Bij de werken uit het surrealisme ging het om het onderbewuste, het irrationele, de droom, de fantasie. Een toneelschrijver die werd beïnvloed door het surrealisme was Samuel Beckett.
Surrealistischzie: Surrealisme.
Suspense. Spannende literatuur. Veel suspense behoort tot de misdaadliteratuur. De romans van Ruth Rendell zitten vaak vol suspense.
Syllabe. Lettergreep – de delen waarin een woord verdeeld kan worden. Het woord ‘literatuur’, bijvoorbeeld, heeft vier syllaben (ook wel ‘syllabes’ genoemd).
Symbolismzie: Symbolisme.
Symbolisme. Literatuur die gebruik maakt van symbolen. Die symbolen kunnen heel voor de hand liggend zijn (een roos voor de liefde), maar ook onduidelijk (een denderende trein voor een overval).

^ Terug naar boven

T
Taalniveau. Ook wel ‘ERK-niveau’ genoemd. Het Europees ReferentieKader ontwikkelde deze niveaus. Teksten kunnen worden ingedeeld op 6 niveaus, van heel eenvoudig tot heel complex. De niveaus worden genoemd: A1, A2, B1, B2, C1 en C2.
Tale Kanaäns. De taal van de Bijbel (vooral betrekking hebbend op het Oude Testament, het oudste en eerste deel van de Bijbel). Met de ‘Tale Kanaäns’ wordt vaak plechtige en ouderwetse taal bedoeld.
Tensionzie: Spanning.
Thema. Datgene waar een verhaal in grote lijnen over gaat. Thema’s zijn vaak heel breed, zoals ‘liefde’ of ‘Tweede Wereldoorlog’. Een thema is breder dan een plot, dat zich meer richt op individuen.
Themezie: Thema.
Thriller. Een spannend verhaal. Vaak zijn het misdaadverhalen, maar het kunnen uiteraard ook horror- of science fictionverhalen (of iets dergelijks) zijn.
Tijdssprong. Een verhaal dat verspringt in de tijd, naar voren of naar achteren. Het kunnen flashbacks of flash forwards zijn. Een roman met enorm veel tijdssprongen is ‘Slaughterhouse-Five’ van Kurt Vonnegut Jr.
Titel. De naam van een literair werk. Vaak is de titel heel simpel (‘The Adventures of Tom Sawyer’). Soms is een titel intrigerend (‘The Fault in Our Stars’). Maar soms wordt een titel gebruikt voor een boek dat helemaal niet zo heet: de serie die vaak A Game of Thrones wordt genoemd heet ‘A Song of Ice and Fire’; ‘The Golden Compass’ heet eigenlijk ‘Northern Lights’; ‘Harry Potter and the Philosopher’s Stone’ heet in de USA ‘Harry Potter and the Sorcerer’s Stone’.
Titlezie: Titel.
Toneel. Deze literaire vorm is de derde vorm naast poëzie en proza. Toneel(kunst) wordt ook wel ‘drama’ genoemd. Het hoogtepunt van de toneelkunst in Engeland was de Renaissance (1550-1630), de periode waarin (onder anderen) William Shakespeare zijn beroemde toneelstukken schreef. Pas in de 19e eeuw werd er weer belangrijk toneel geschreven door auteurs als Oscar Wilde en George Bernard Shaw. Modern toneel (in de tweede helft van de twintigste eeuw) werd geschreven door Tennessee Williams, John Osborne, Harold Pinter en Edward Albee. Veel populair toneel komt tegenwoordig tot de toeschouwers via film en TV.
Tovenaar. Een magiër die door zijn toverkunsten vaak het verhaal beïnvloedt. Oude sprookjes kennen vaak tovenaars, maar ook in de fantasy komen regelmatig tovenaars voor. Zo zat Harry Potter op een school voor tovenaars, evenals Ged (in ‘The Wizard of Earthsea’). En in de Discworld-romans van Terry Pratchett is een universiteit, de Unseen University, waar mannen worden opgeleid tot tovenaars. Beroemde tovenaars zijn Merlin, Gandalf, Sparrowhawk, Rincewind (een tovenaar bij wie alles mislukt), Randall Flagg en Harry Potter.
Tragedie. Een treurspel, een toneelstuk de plot leidt tot doem en ongeluk en waarin de hoofdpersonen meestal komen te overlijden. De grote tragedies van Shakespeare zijn Hamlet, ‘Macbeth’, King Lear en  ‘Othello’.
Tragedyzie: Tragedie.
Trilogie. Een driedelige serie romans. Beroemde trilogieën zijn ‘The Lord of the Rings’, ‘His Dark Materials’ en ‘The Hunger Games’.
Trilogyzie: Trilogie.
Trochee. Een beklemtoonde lettergreep gevolgd door een onbeklemtoonde. ‘Answer’ is een trochee, ‘reply’ is het tegenovergestelde: een jambe.
Trol. Een groot en gevaarlijk wezen uit sprookjes en volksverhalen. De trol is oersterk, maar vaak onbetrouwbaar en zeer dom.
Trollzie: Trol.
True Crime. Een waargebeurd verhaal, dat als fictionele crime leest. Zie ook ‘non-fiction fiction’.
Twist. Een onverwachte draai in een verhaal. Deze draai komt vaak onverwacht aan het einde van het verhaal, de ‘twist ending’. Een verhaal lijkt zich heel gewoon te ontwikkelen en plotseling gebeurt er iets heel vreemds. De meester van de twist is Roald Dahl, maar andere beroemde schrijvers die de twist regelmatig gebruiken zijn korte verhalenschrijvers als Ray Bradbury, Nadine Gordimer en Stephen King.
Twist endingzie: Twist.

^ Terug naar boven

U
Ultrakort verhaal. Een heel kort verhaal, korter dan het korte verhaal. Het ultrakorte verhaal bestaat uit niet meer dan 2 pagina’s. Het beroemdste ultrakorte verhaal is van Ernest Hemingway: ‘For sale. Baby shoes. Never worn.’
Underground. Een kunstvorm die zich niet aanpast aan de geldende normen van zo’n kunstvorm. In de literatuur zijn dat de afwijkende schrijvers die hun eigen, vaak eenzame, gang gingen: William Faulkner, Virginia Woolf, William Burroughs, Charles Bukowski (‘Post Office’). Sommige onsuccesvolle underground literatuur werd later alsnog beroemd (en dus niet langer ‘underground’).
Understatement. Iets belangrijks, verschrikkelijks of heftigs in neutrale bewoordingen vertellen. Engelsen zijn hier vaak meesters in; een understatement wordt vaak ironisch weergegeven. Zo reageerden in het stripverhaal ‘Asterix en de Britten’ twee broers, eigenaren van een pub die volledig was leeggedronken door de Romeinen, tegen elkaar: ‘Nare zaak.’ ‘Nogal.’ ‘Tamelijk.’ Voor voorbeelden van understatements in de Engelse literatuur, zie de romans van Terry Pratchett (zoals ‘Reaper Man’), Roald Dahl, P.G. Wodehouse en Tom Sharpe.
Unityzie: Eenheid.
Unputdownable. Letterlijk: nietneerlegbaar. Een boek  wat je beslist moet uitlezen. Zo’n boek wordt ook wel eens een ‘pageturner’ genoemd.
Unreliable narratorzie: Onbetrouwbare verteller.
Unreliable perspectivezie: Onbetrouwbare verteller.
Utopian literature. Literatuur over een ideale, de paradijselijke wereld. Die wereld bestaat helaas nog niet; vandaar dat Sir Thomas More zijn roman daarover ‘Utopia’ noemde: ‘utopos’ is het Griekse woord voor ‘no-place’. Zo’n boek is wel rustgevend, maar zelden spannend; je kunt beter een ‘anti-utopian’ of een ‘dystopia’ verhaal lezen.

^ Terug naar boven

V
Vampier. Een mensachtig wezen dat zich voedt met het bloed van mensen. De vampier was zelf ook ooit een mens; hij (of zij) is door een beet van een andere vampier later tot vampier geworden. De vampier jaagt ’s nachts; daglicht kan hij niet verdragen. De mannelijke vampier bijt bij voorkeur vrouwelijke slachtoffers (omgekeerd is dat ook het geval). De vampier kan zich indien nodig veranderen in een dier (meestal in een vleermuis, maar soms ook in een wolf).
Het beroemdste verhaal over een vampier is de roman Dracula van Bram Stoker. Stoker situeerde zijn verhaal voor een deel in de Karpaten, een gebergte in Roemenië, waar de meeste vampierverhalen vandaan komen (uit het landsdeel Transylvanië).
Vampirezie: Vampier.
Verhaal-in-een-verhaal. Soms ook wel een ‘raamvertelling’ genoemd. Het is een verhaal dat bestaat uit meerdere andere verhalen, die in principe niets met het oorspronkelijke verhaal te maken hebben. Het oorspronkelijke verhaal is vaak niet eens belangrijk: het gaat om de verhalen in de verhalen.  Verhalen-in-verhalen werden geschreven door Geoffrey Chaucer, Joseph Conrad (‘Heart of Darkness‘), John Irving (‘The World According to Garp‘)en Bret Easton Ellis.
Verhaallijn. Waar het verhaal over gaat. Meestal is een verhaallijn wel duidelijk; vooral in lineair vertelde verhalen, zoals de meeste detective-, fantasy- en horrorverhalen. Maar soms is de verhaallijn moeilijk te onderscheiden; zie de boeken van Virginia Woolf, Paul Auster en David Mitchell. Voor sommige schrijvers was de verhaallijn zo moeilijk in de gaten te houden dat zij er zelf problemen mee hadden; over zijn verhaallijn beklaagt Laurence Sterne zich bijvoorbeeld in ‘The Life and Opinions of Tristram Shandy’.
Verteller. Degene die het verhaal ‘vertelt’. Uiteraard is dat de schrijver van het verhaal. Maar deze neemt vaak de rol van een ‘persoon’ aan en vertelt het verhaal vanuit de derde of eerste (en soms zelfs tweede) persoon. Sommige verhalen of romans hebben meerdere vertellers in één verhaal (zie bijvoorbeeld de roman ‘Wuthering Heights’ van Emily Brontë).
Vervolg. Succesvolle romans worden soms gevolgd door een volgend verhaal. zo kent Adrian Mole vervolgen, maar ook Tom Sawyer, Peter Pan, Alice (in Wonderland), Gregg Heffley en Artemis Fowl.
Vocabulaire. De woordenschat, het aantal verschillende woorden dat in een literair werk wordt gebruikt. zo’n woordenschat kan wetenschappelijk zijn, maar ook literair, vulgair, of populistisch. Het oeuvre van William Shakespeare kent een zeer uitgebreid vocabulaire, evenals dat van William Faulkner.
Volksverhaal. Een eeuwenoud en meestal anoniem verhaal. Volksverhalen zijn bijvoorbeeld sprookjes, mythen, sagen en legenden. Een volksverhaal in dichtvorm is bijvoorbeeld een epos.
Volwassenenliteratuur. Literatuur die speciaal geschreven is voor volwassenen. Dus niet voor kinderen (mensen tot 12 jaar) of voor adolescenten of jong volwassenen (mensen van 13 tot en met 19 jaar).

^ Terug naar boven

W
Western. Een film of een verhaal over de beginjaren van de USA. Vaak beschrijven deze films of verhalen de trek van blanke kolonisten naar het westen van de USA (‘Going West’), maar daaruit voortvloeiend de strijd tegen Native Americans (‘Indianen’), blank gespuis (‘outlaws’), wilde dieren of de elementen. Zie ook: Western literature.
Western literature. Literatuur die gebeurtenissen in het ‘wilde westen’ van de Verenigde Staten beschrijft. Deze verhalen gaan vaak over de kolonisatie van de onherbergzame gebieden, over jagen en vissen en hutten bouwen, maar ook over cowboys en over gevechten met Amerikaanse Indianen. Westerns werden onder andere geschreven door James Fennimore Cooper en Zane Grey, maar later ook door John Williams (‘Butcher’s Crossing’) en Philipp Meyer (‘The Son’).
Westeros. Het continent (en de eilanden eromheen) waar de romans uit de serie A Song of Ice and Fire van George R.R. Martin zich afspelen. In Westeros speelt zich de strijd af tussen de vorsten van de Seven Kingdoms, koninkrijken die om de hegemonie van het continent strijden. Zie bijvoorbeeld: ‘A Game of Thrones‘.
Whodunit. (‘Who has done it?’) Een misdaadroman waarin het vinden van de misdadiger centraal staat. Vaak is de onderzoeker van de misdaad een detective. Zie bijvoorbeeld de crime novels van Agatha Christie (zoals ‘And Then There Were None’).Een variatie op de ‘whodunit’ is de ‘whydunit’.
Whydunit. (‘Why was it done?’) Een variatie op de ‘whodunit’. Centraal in dit soort verhaal staat het motief: waarom is de misdaad gepleegd? Een auteur die vaak ‘whydunits’ schrijft is Ruth Rendell (zie ook bijvoorbeeld haar roman ‘A Fatal Inversion‘, geschreven onder het pseudoniem Barbara Vine).
Wit. Scherpe humor. De schrijver die veel ‘wit’ gebruikte was niet alleen ‘witty’, maar hij werd ook vaak een ‘wit’ genoemd. De beroemdste ‘wit’ ooit was Oscar Wilde.
Witchzie: Heks.
Wizardzie: Tovenaar.
Woordspeling. Een of meer woorden die meer betekenen dan hun letterlijke betekenis. Oscar Wilde schreef veel puns (‘The Importance of Being Earnest’), maar ook in de journalistiek komen we puns tegen (in krantenkoppen).

^ Terug naar boven

X

^ Terug naar boven

Y
Yoknapatawpha County. Een denkbeeldig district in de Amerikaanse staat Mississippi, bedacht door de Amerikaanse auteur William Faulkner. Faulkner modelleerde de regio naar zijn eigen Noord-Mississippi, een gebied tussen de rivieren de Tallahatchie en de ‘Yoknapatawpha’. In het centrum van die regio lag het stadje Jefferson (waarmee Faulkner het stadje Ripley bedoelde). De regio werd bewoond door – vaak verarmde – blanke landadel, arme blanken (die hij consequent ‘poor white trash’ noemde) en arme zwarte Amerikanen. Het land is vaak droog, heuvelachtig en slecht begaanbaar. Op een gegeven moment loopt er een spoorweg doorheen (een spoorlijn die in werkelijkheid door de opa van Faulkner werd gefinancierd). William Faulkner tekende veel kaarten van het gebied, met daarin aanwijzingen over zijn romans en de vele karakters die erin voorkomen.
Young adult fictionzie: Adolescentenliteratuur. Jeugd- of jongerenliteratuur.
Young adult literaturezie: Adolescentenliteratuur. Jeugd- of jongerenliteratuur.
Young adult novelzie: Adolescentenliteratuur. Young adult novels zijn speciaal geschreven voor jongeren (grofweg tussen de leeftijden dertien en negentien jaar: teenagers – thirteen to nineteen). Meestal zijn de hoofdpersonen ook jongeren. De thema’s zijn ook de thema’s die jongeren aanspreken: liefde, vriendschap, seks, pesten, ouders, avontuur, gezinsproblemen, verslavingen.

^ Terug naar boven

Z

Zwarte humorzie: Black humor.

^ Terug naar boven